Slavernij in de Republiek 1 – de wet van 1776

Waarom kwam Quaco in Nederland pas na 1 jaar en 6 weken vrij?

In Noordwest-Europa kwam slavernij na de middeleeuwen niet meer voor. Ook in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, zoals Nederland van 1588 tot 1795 heette, was slavernij verboden.[1]

MAAR: Degenen die de status van slaaf hadden in de kolonie en die in de Republiek verbleven, konden hun vrijheid niet zomaar opeisen. Een aantal deed dat wel. Coridon trad in 1742 bijvoorbeeld op eigen initiatief in dienst bij de Pruisische gezant, nadat hij vanuit Suriname in Amsterdam was aangekomen met zijn zogenaamde meester Duplessis.[2]

Na 1776 zou Coridon dat waarschijnlijk niet gelukt zijn. In mei 1776 neemt de Staten-Generaal namelijk een wet aan specifiek voor ‘slaven’ die naar de Republiek reizen. Voortaan zullen zij na aankomst nog zes maanden gevangen zijn in slavernij. Die periode kan met zes maanden verlengd worden als hun zogenaamde eigenaren de noodzaak hiervan aannemelijk maken.

De wet van 1776 wordt breed verspreid:  in de ‘s Hertogenbossche Courant is de wet bijvoorbeeld helemaal afgedrukt, het eerste deel in de editie van 7 juni, het tweede deel een week later, waarmee een kwart van de krant is gevuld.

Dat vóór 1776 de vrijheid in de Republiek met mitsen en maren omkleed was voor de tot slaaf gemaakten uit de koloniën, maakt de eerste alinea al duidelijk:

uitnsede-de-s-hertogenbossche-courant-7-6-1776-wet-slavernij-republiek

’s Hertogenbossche Courant, 7 juni 1776. 

Ook John Gabriel Stedman (1744-1797) kent de nieuwe wet. Hij schrijft in zijn Narrative dat Quassie Granman de wet in Suriname kenbaar maakte na zijn bezoek aan de Sociëteit van Suriname te Amsterdam en de stadhouder Willem V.[3]  Quassie zelf zou hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze wet, schrijft Stedman. Bij 24 augustus 1776 geeft Stedman de wet weer: slaven zijn zes maanden na hun aankomst op Texel vrij en deze termijn kan hooguit met zes maanden worden verlengd, ‘but not a Single day Longer on any Account Whatsoever – ‘ (Price & Price 1988:551, mijn nadruk).

blake_after_john_gabriel_stedman_narrative_of_a_five_years_copy_2_object_15-detail

Quassie van Nieuw Timotibo ofwel Quassie Granman (West-Afrika 1692 – Paramaribo 1787). Gravure van William Blake, naar een tekening van John Gabriel  Stedman, opgenomen in de Narrative.[4]

Stedman is blij met deze wet. Want het betekent, meent hij, dat Johanna en Johnny na een half jaar hun vrijheid zouden verwerven, als ze met hem mee zouden gaan naar de Republiek. Dat loopt allemaal anders, maar Stedmans vreugde illustreert nog eens hoe lastig het voor ‘slaven’ was om in de Republiek hun vrijheid te verkrijgen.

Wat betekende de wet  voor Quaco?

Quaco wordt op 10 juli 1778 vrijverklaard. Dat staat in het originele dagboek van Stedman uit 1778.[5]

60-6

Uit het stripboek over Quaco: Quaco – Leven in slavernij (Eric Heuvel en Ineke Mok 2015). Zie ook: www.quaco-stripverhaal.nl

Volgens dit dagboek Quaco’s invrijheidstelling niet na de vastgestelde termijn van zes maanden of een jaar, maar exact na een jaar en zes weken. Een document waarin zijn vrijheid vaststaat heb ik overigens niet kunnen vinden, noch in Den Haag, noch in Bergen op Zoom, Zutphen of Maastricht, waar Stedman in 1783 verblijft.

Ik zou verwachten dat Quaco na zes maanden zijn vrijheid zou verwerven, zeker omdat Stedman in zijn Narrative doet voorkomen dat hij Quaco heeft gered van de slavernij door hem van Kennedy te kopen.[6] Waarom is Quaco niet eerder vrijverklaard? En waarom noemt Stedman in zijn dagboek de termijn van een jaar en zes weken, terwijl in zijn Narrative duidelijk staat dat die termijn maximaal een jaar is en geen dag langer?

Het kan zijn dat Stedman niet wilde dat Quaco ‘al’ na een half jaar zijn vrijbrief zou krijgen,  omdat hij zijn zinnen had gezet op het gouverneurschap van Berbice. Had Quaco nog steeds de status van slaaf, dan kon Stedman hem zonder meer meenemen, anders niet. Over Berbice heeft Stedman in oktober 1777, dus nog binnen een half jaar na aankomst op Texel, een onderhoud met de directeuren van Berbice in Amsterdam. Zij bieden Stedman de functie aan van luitenant-gouverneur, een functie direct onder de gouverneur.[7] Stedman vindt het salaris prachtig, maar hij wil alleen naar Berbice als hij ofwel wordt aangesteld als gouverneur ofwel bij terugkeer mag rekenen op een pensioen. Daar voelen de heren niet voor en Stedman bedankt voor de eer.[8] Hoewel het gesprek in oktober niets heeft opgeleverd, is Berbice niet uit Stedmans gedachten, want in zijn dagboek noteert hij op 13 april 1778 dat hij ene Heneman een vaatje ansjovis stuurt. Hij vraagt hem daarbij om steun in zijn streven gouverneur van Berbice te worden.

Een jaar en zes weken?

Hoe zit het met die zes weken extra, bovenop het maximum van 1 jaar?  Aanvankelijk dacht ik dat die 6 weken toeval waren. Tot ik zag dat exact deze termijn ook wordt genoemd in verband met de vrijheid van Caatje uit Suriname.

Haar bijzondere verhaal valt te lezen op de slavernij-website van het stadsarchief van Amsterdam.[9] Dit verhaal start in Amsterdam waar Caatje in 1788 haar vrijheid verwierf. Caatje ging vervolgens mee met dominee Du Pasquier naar diens plantage in de Nederlandse kolonie Demerary.[10] De dominee stal daar haar vrijbrief om zo Caatje en haar kinderen tot zijn eigendom te kunnen rekenen en daarmee de waarde van zijn plantage te verhogen. Caatje legde zich hier niet bij neer en liet iemand het bestuur van Amsterdam schrijven met het verzoek haar een kopie van de vrijbrief te bezorgen. En zo geschiedde.

Zie hier de argumentatie voor Caatjes invrijheidstelling, zoals opgenomen op de website van het stadsarchief Amsterdam. Daarin wordt precies die periode van een jaar en zes weken genoemd, door mij hier benadrukt:

dat zij echter, natuurlijk vrij is, als hebbende hier te lande veel langer als Een Jaar en ses weeken,  gewoond alvoorens de laatsten Resolutie van H:H:M. aangaande de slaaven der colonien! En voor die laatste Resolutie was Een Jaar en ses weeken hier te Lande ongestoord woonende genoeg [E?], om altoos van alle slavernij bevrijd te blijven.’

Het lijkt alsof er toch een aanvulling op de wet is gekomen. Die is bij het Nationaal Archief niet te vinden. [11]

Een jaar of een jaar en zes weken. Het lijkt een detail, maar dat is het niet als je vrijheid dichtbij is en je nog elk moment kan worden teruggestuurd naar de kolonie, waar je status als slaaf of slavin onverminderd zal voortduren. En dat gold ook voor Quaco. De zes weken blijven voor mij een raadsel.

Voor wie de wet nog eens wil doorploegen: https://books.google.nl/books?id=LJ9nAAAAcAAJ&lpg=PA702&ots=X11u6vfEfA&dq=staten-generaal%201776%20slavernij&hl=nl&pg=PA702#v=onepage&q=staten-generaal%201776%20slavernij&

[1] Zie inleiding Dirk J. Tang (2013) Slavernij: Een geschiedenis. Zutphen: Walburg Pers.

[2] Zie Carl Haarnack & Dienke Hondius, m.m.v. Elmer Kolfin (2008), ‘”Swart” in Nederland. Afrikanen en Creolen in de Noordelijke Nederlanden vanaf de middeleeuwen tot de twintigste eeuw’, In: Esther Schreuder & Elmer Kolfin (red.) Black is beautiful: Rubens tot Dumas, Zwolle: Waanders, p. 88-107.

[3] Met Narrative verwijs ik hier naar de uitgave van het originele manuscript van Stedman: Richard Price & Sally Price 1988 (eds). John Gabriel Stedman (1790) Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam: Transcribed for the First Time from the Original Manuscript. New York, Bloomington: iUniverse.Inc.

[4] Quassie was vermaard om zijn kennis van geneeskrachtige planten (o.a. bekend van Quassie Bita, een middel tegen malaria) maar evenzeer berucht, dat wil zeggen voor degenen die in slavernij leefden: Quassie hielp het gouvernement  en de planters bij het opsporen van marrons, ofwel degenen die weigerden in slavernij te leven en die waren weggevlucht van de stad en de plantages. Meer lezen: Frank Dragtenstein (2004) ‘Trouw aan de blanken’. Quassie van Nieuw Timotibo, twist en strijd in de 18e eeuw in Suriname.

[5] Dit dagboek wordt bewaard in de James Ford Bell Library in Minnesota. Zie ook blog 22-11-2016.

[6]Zie: http://www.quaco-stripverhaal.nl/stedmans-narrative/

[7] Berbice was tot 1814 in Nederlandse handen, net als Demerary en Essequibo. Deze drie koloniën lagen naast Suriname. Na 1814 vormden ze Brits-Guyana en later Guyana.

[8] Dat Stedman opteert voor de functie van gouverneur lees ik in deze regel:  ‘(…) but I insisting on either the Survivancy of the Government (…)’ In: Richard Price & Sally Price 1988 (eds). John Gabriel Stedman (1790) Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam: Transcribed for the First Time from the Original Manuscript, p.620.

[9] (http://www.amsterdam-slavernij.nl/item/vrije-neegerin-caatje/

[10] Zie noot 5.

[11] Met dank aan Diederick Kortlang, 2016, Nationaal Archief Den Haag.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *