Waarom ging Quaco naar Batavia?

Twee intrigerende vragen rond Quaco’s leven in Nederland zijn onbeantwoord gebleven:

(1) waarom werd hij in 1792 door de familie Torck van Rosendael weggestuurd?

(2) wat gebeurde er tussen Quaco’s ontslag en zijn vertrek op 29 november 1792 als VOC-matroos naar Batavia?

Quaco weggestuurd en/of aan zijn lot overgelaten

Uit het dagboek van John Gabriel Stedman weten we dat Quaco is weggestuurd. Stedman maakte hiervan melding op 12 april 1792.[1]

Er staat: ‘Poor Qwacoo turned [?] adrift by Rosendaal whom I ub[p]braid for cruelty by a letter.’[2] Dit vertaal ik als: Arme Quaco is weggestuurd / aan zijn lot overgelaten door de familie Rosendael, die ik per brief van wreedheid beschuldig.

Als ik het goed begrepen heb – ik raadpleegde de digitale Van Dale –  betekent ‘to turn someone adrift’ zowel iemand wegsturen als iemand aan zijn lot overlaten. Hoe het precies zit, weet ik niet, want meer informatie biedt Stedmans dagboek niet en helaas heb ik in het archief van Huis Rosendael geen brief van Stedman aangetroffen. In de twee regels in Stedmans dagboek lezen we wel dat Stedman met Quaco te doen had  –  ‘poor Quaco’ staat er – en gelet op Stedmans reactie was de familie Torck over de schreef gegaan en niet Quaco. Daarom vermoed ik dat Quaco zelf  Stedman van zijn lot op de hoogte had gebracht.

Een paar weken terug las ik bij toeval dat nog iemand uit Quaco’s directe omgeving in 1792 naar Batavia afreisde. Dat was voor mij aanleiding de draad van mijn onderzoek weer op te pakken. Op dit moment heb ik de oplossing nog niet gevonden. Wil je meedenken? Heel graag.

In het kort: wat eraan vooraf ging 

Legerkapitein John Gabriël Stedman (1744-1797) nam Quaco (plm 1760- na 1795 ), zijn zogenaamde futuboi, in 1777 van Suriname mee naar de Republiek. Rond 1780 kwam Quaco, als vrij man, in dienst bij de familie Torck van Rosendael in Den Haag. Daar bewoonde het echtpaar met hun kinderen het riante huis op de hoek van de Kneuterdijk en Het Lange Voorhout. In de lente togen de Torcks met bijna al het personeel naar hun kasteel Rosendael bij Arnhem. Daar bleven zij tot de eerste winterkou door de kasteelmuren drong. In de Nederduits Gereformeerde kerk naast het kasteel werd Quaco in 1785 gedoopt. Sindsdien heette hij Willem Stedman of Stidman. In 1790 werd Quaco lid van de kerk van Someren (Brabant). In 1792 vertrok Quaco naar Batavia. Drie jaar later, in 1795, loopt het spoor naar hem dood. Hij bevond zich toen waarschijnlijk nog op Java.

 

In 1790 verliet Quaco kasteel Rosendael en vestigde zich in Asten, of toch in Someren?

Assueer Jan Torck van Rosendael, Quaco’s baas zeg maar, was een fervent jager; niet voor niets was hij luitenant-jagermeester van stadhouder Willem V. Torck wilde zijn jachtmogelijkheden uitbreiden en nam daarom in 1790 zijn intrek in kasteel Asten in Brabant. Vier jaar eerder, op 1 maart 1786, was de huurovereenkomst al ingegaan en met die huur had Torck tevens de jachtrechten van deze heerlijkheid verworven.[3]

‘De snaphaan [soort geweer, IM] van Joost en van Wilm’, staat er in het kasboek van de huishoudster bij de posten voor kasteel Asten..[4] Deze Wilm kan Willem Stedman zijn, zoals Quaco sinds zijn doop in 1785 heette.

Het is goed mogelijk dat Quaco Torck bij de jacht assisteerde, want ook Quaco ging in 1790 naar Asten. Dat blijkt uit het lidmatenregister van de kerk van Rosendael: aan ‘Willem Stidman’ wordt voor Someren (een dorp naast Asten) op 1 april 1790 een zogeheten attestaat verleend. Dit getuigschrift geeft de dominee mee aan een man of vrouw die zich bij een andere kerk wil inschrijven. [5] Een attestaat vermeldt behalve de naam van de persoon en diens geboortedatum ook de reden van vertrek. Die informatie staat tenminste op de paar attestaten die in het archief van Eindhoven zijn bewaard: interessante bronnen! Maar het attestaat van Quaco heb ik niet gevonden. En terwijl van alle gereformeerde kerken in de  dorpen rond Someren een lidmatenregister bewaard is gebleven, ontbreekt dat register uitgerekend van de kerk van Someren.

Lambertus Kerk, Someren. In de 17e en 18e eeuw de Hervormde Kerk. Voor deze kerk kreeg Quaco in 1790 zijn attestaat. Regionaal Archief Archief Eindhoven, 2370470.

Quaco kreeg een attestaat voor de kerk in Someren en niet voor die van Asten. De reden daarvoor is waarschijnlijk dat Assueer Jan Torck vanaf 1784 contact had met Cazijn van Zelm, de dominee van Someren en Lierop. Bij hem informeerde Torck naar de mogelijkheden het kasteel in Asten te huren. Nog datzelfde jaar diende Van Zelm al rekeningen bij Torck in, waaruit blijkt dat hij het kasteel voor hem in orde liet maken. Ook het kasboek van de huishoudster vermeldt posten voor het Astense kasteel nog voordat Torck daar zelf zijn intrek nam. [6]

Bernardus van Zelm

Quaco is niet de enige die met een attestaat van Rosendael naar Someren ging. Een maand eerder, op 2 maart 1790, vertrok ook ‘Bernardus van Zellem’ met een attestaat van de dominee.[7] Deze Bernardus was de zoon van dominee Cazijn van Zelm.[8]  Hij was waarschijnlijk net als Quaco in dienst van de familie Torck van Rosendaal. Welke functie deze Bernardus van Zelm toen bekleedde in kasteel Rosendael, weet ik niet, maar in 1792 presenteerde hij aan Assueer Jan Torck als rentmeester de ‘rekening van inkomsten en uitgaven.’ [9]

Egbert Wijnen, archivaris van Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, wees mij erop dat deze Bernardus van Zelm eveneens schepen van Someren was geweest. Dat wil zeggen: in 1785 legde Bernardus daarvoor de eed af en in 1790, het jaar waarin hij van Rosendael terugkeerde naar Someren, werd zijn plaats overgenomen.[10] Dat lijkt lastig te rijmen met een eventueel aanstelling bij de familie Torck van Rosendael, maar hoe dan ook, Bernardus was een periode schepen en rentmeester en dus in goede doen.

Mee met de VOC

En dan komt het merkwaardige: twee maanden voordat Quaco als matroos in november 1792 te Goederee aanmonsterde op het VOC-schip d’IJsselmonde, stapte Bernardus bij fort Rammekens bij Vlissingen aan boord van het VOC-schip Delft, eveneens met bestemming Batavia. [11] Dat Quaco matroos werd, kan ik mij nog voorstellen omdat hij eerder als bediende werkte. Maar ik kan mij minder goed voorstellen dat Bernardus, die eerder schepen en rentmeester was, vrijwillig meeging en genoegen nam met de positie van konstabelsmaat, de assistent van degene die zorg droeg voor de kanonnen en de munitie. Een enorme degradatie.

Had Bernardus gewoon zin in avontuur? Dat is onwaarschijnlijk. Meereizen op een VOC-schip was een riskante onderneming en dat moet hij hebben geweten. Niet alleen was het leven aan boord hard, de kans voor Batavia te overlijden was reëel. Voor de periode 1750-1780 is berekend dat gemiddeld 8% van de opvarenden de tussenstop bij Kaap de Goede Hoop niet haalde. Had het schip De Kaap gerond, dan groeide de sterftekans naar bijna 12% voordat het schip de rede van Batavia had bereikt.[12]

Batavia rond 1780.

 

Bernardus vertrok begin oktober 1792, Quaco twee maanden later, eind november. In Kaap de Goede Hoop zullen ze elkaar net zijn misgelopen; de schepen lagen daar zes weken voor anker voor zij doorvoeren naar Azië en dat was voor een eventuele ontmoeting net te kort. De kans dat zij elkaar troffen in of rond Batavia was bijzonder klein. Quaco voer nog tot 1795 met de d’IJsselmonde tussen de eilanden van voormalig Nederlands-Indië, maar Bernardus stierf al eind 1794 in Batavia.

Losse eindjes, nieuwe vragen

Had Bernardus’ vertrek naar Batavia iets te maken met het vertrek van Quaco, eveneens naar Batavia? Dat ze in hetzelfde jaar van Rosendael naar Someren gingen en beiden twee jaar later naar Batavia vertrokken deed dat vermoeden. Maar uiteindelijk ligt er nog geen begin van een antwoord en is het aantal vragen en opties met even zo vele mitsen en maren gegroeid. De reden van Quaco’s ontslag en waar hij verbleef voor hij aan boord ging van d’IJsselmonde, blijven een raadsel.

  1. Hadden Bernardus en Quaco de wet overtreden?

Mannen die in dienst gingen bij de VOC als matroos of, voor een wat hoger salaris, als konstabelsmaat deden dat doorgaans uit nood, omdat ze geen andere uitweg zagen. [13]  Maar de reden kon ook een veroordeling zijn. Verdachten konden naar ‘de Oost’ of ‘de West’ worden gestuurd, bijvoorbeeld bij bedelarij of ‘vagebonderij.’ Ook kon de overzeese uitzending alternatief zijn voor lijfstraf, verbanning of gevangenisstraf. Hadden Bernardus en Quaco samen iets gedaan wat het daglicht van toen niet kon verdragen? Namen beiden de benen uit angst voor vervolging? Dat leek mij ineens een plausibele verklaring. Maar in de oud-rechterlijke archieven van Asten en van de buurtgemeenten kwam ik geen onrechtmatigheden tegen die op conto werden geschreven van ofwel Bernardus van Zelm of Quaco, alias Willem Stedman dan wel Stidman of Stitman.

Evenmin komen hun namen voor in ‘Dataschurk’, in het archief van de rechtbank in Den Bosch. Hadden zij werkelijk een overtreding begaan, dan zouden ze daar zijn berecht.[14] Ook bij deze rechtbank werd diverse malen iemand veroordeeld tot dienstverlening aan de ‘de Oost’ of ‘de West’. Zo verzocht in 1789 een verdachte de rechtbank om naar Oost- dan wel West-Indië te worden gestuurd. Een ander werd in 1787 veroordeeld tot verbanning van 12 jaar naar Oost-Indië. Soms kwam het voorstel hiertoe van verwanten van de verdachte, bijvoorbeeld toen in 1781 ‘de vrije mulat’ Alexander van Genève in Den Bosch terechtstond op verdenking van bedreiging en dronkenschap. [15] Alexanders vrouw verzocht de rechtbank haar man als soldaat naar Indië te sturen.

Kon het zijn dat Quaco en Bernardus wel iets op hun kerfstok hadden maar dat Assueer Jan Torck en dominee Cazijn van Zelm zelf hun maatregelen hadden getroffen en zo een rechtszaak voorkwamen? Werd Bernardus dan wel Quaco de keus gelaten naar Azië te vertrekken, of kon Bernardus van Zelm door zijn voormalige positie als schepen van Someren  een rechtszaak ontlopen?

  1. Toeval?

Het kan louter toeval zijn dat Bernardus van Zelm twee maanden voor Quaco naar Batavia vertrok. De VOC had toen al aan honderd duizenden mannen werk verschaft. En misschien was de grond van Quaco’s ontslag wel niet zo duidelijk en had de familie Torck van Rosendael hem met zijn attestaat voor Someren al op een zijspoor gezet.

  1. Ging Quaco wel naar Asten?

Kasteel Asten is nu een ruïne. Deze maquette toont hoe het kasteel er in Quaco’s tijd uit heeft gezien. De maquette is opgesteld in het Anna Ceelen Huis bij kasteel Asten.

Quaco verkreeg niet een attestaat voor Asten, maar voor Someren. Aangezien Torck het kasteel te Asten huurde, ging ik ervan uit dat Quaco in dit kasteel zou gaan wonen. Wellicht klopt dat niet en is Someren het aanknopingspunt. Misschien kwam hij wel in dienst bij Cazijn van Zelm.

  1. Viel Quaco tussen wal en schip?

Misschien had Quaco’s ontslag te maken met het feit dat het Brabantse avontuur voor Assueer Jan Torck tegenviel. Hij was namelijk niet bepaald te spreken over de staat van het onderhoud van het kasteel en hij beklaagde zich bij de Dortse eigenaren over de kou en tocht waar hij en het personeel zeer onder te lijden hadden. Deuren en vensters sloten niet, het dak lekte. [16] Torck heeft zelfs getracht het kasteel onder te verhuren, terwijl hij intussen het bijgelegen kasteel Mierlo voor bewoning in orde liet maken. In januari 1792 ging nog het ‘ganse gerei’ van Someren naar Den Haag,[17] maar duidelijk is dan al dat de eigenaren niet instemden met onderverhuur en uiteindelijk besloot Torck toch de huur van het kasteel te Asten voor te zetten. [18]  In maart tekende hij het contract en het kan zijn dat juist in die onrustige periode Quaco werd ontslagen, of zoals ook nog mogelijk is: gewoon aan zijn lot werd overgelaten.

Verliet Quaco vervolgens berooid het kasteel te Asten of de gemeente Someren, dan kan het nog altijd zijn dat hij is opgepakt voor ‘vagebonderij’ en naar ‘Oost-Indië’ werd gestuurd.

  1. Deed Stedman nog iets voor Quaco?

John Gabriel Stedman (1744-1797).

Tenslotte nog even terug naar Stedman. Heeft hij na het versturen van een woedende brief aan de familie Torck van Rosendael nog iets voor Quaco kunnen doen? Dat kan hij van plan zijn geweest toen hij in de zomer van 1792 met zijn vrouw en jongste dochter in Nederland verbleef (hij woonde sinds 1784 in Engeland). Dat hij hier was blijkt uit een brief die hij eind augustus 1792 aan zijn broer William George schreef, die toen in de buurt van Boxmeer verbleef.[19] Stedman liet hem weten al enkele weken in Nederland te zijn, maar hij zou zijn broer niet meer bezoeken. Want op 8 augustus was hem bericht dat zijn (Surinaamse) zoon Johnny op 17-jarige leeftijd bij Jamaica verdronken was. Stedman wist zich geen raad van verdriet, staat er, en hij verwachtte binnen twee weken naar London af te reizen om de rechtszaak bij te wonen waarbij twee scheepsmaten van Johnny gehoord zouden worden over diens dood.

Stedman had dus amper tijd iets voor Quaco te doen. Mocht Stedman al iets hebben ondernomen, een bewijs daarvan heb ik niet gevonden. Zijn manuscript voor zijn publicatie uit 1796 heeft hij in ieder geval niet aangepast: in de Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam is blijven staan dat hij Quaco, met diens instemming, in 1777 cadeau deed aan de gravin van Rosendael, dat de familie hem zou dopen en zolang zij leefden voor hem zouden zorgen. Dit is de laatste passage waarin Quaco genoemd werd.

Dat de familie niet voor Quaco bleef zorgen, is duidelijk. De ware toedracht? Voorlopig geef ik mijn fantasie nog even de ruimte en blijf ik hopen op die ene brief, dat ene gerechtelijke stuk of wat voor document dan ook dat inzicht geeft in Quaco’s periode in Asten dan wel Someren en de reden van zijn vertrek naar Azië.

En natuurlijk sta ik open voor elke suggestie.

 

Met dank aan Els Schellekens voor het meelezen. 

 

NOTEN

[1] Bij gebrek aan bronnen heb ik er voor het stripverhaal over Quaco’s leven van gemaakt dat hij niet langer onderdanig wilde zijn en daarmee het risico van ontslag op de koop toenam. Zie: Eric Heuvel, Ineke Mok 2015. Quaco – leven in slavernij. Zutphen: WalburgPers – www.quaco-stripverhaal.nl

[2] Dit dagboek wordt bewaard in de James Ford Bell Library van de universiteit van Minnesota.

[3] C.E.A. van Hövell tot Westerflier (z.j.) Geschiedenis van de heeren, de heerlijkheid en de dorpen van Asten en Ommel. P. Deel VII, p. 2725-2726 (Regionaal Historisch Centrum Eindhoven).

[4] Gelders Archief, archiefnr. 0525, inv.nr. 708

[5] Lidmatenregister Nederduits Gereformeerde Gemeente Velp 1741-1811, Rozendaal-lid. RBS 1390.1/42. Volgens transcriptie van J.H. Bruger, juni 2013 staat er: ‘een att. gegeven na Someren.’

[6] Gelders Archief, archief huis Rosendael, archiefnr. 0525, inv.nr. 746,763,764

[7] Lidmatenregister Nederduits Gereformeerde Gemeente Velp 1741-1811, Rozendaal-lid. RBS 1390.1/42. Volgens transcriptie van J.H. Bruger, juni 2013 staat er: Bernardus van Zellem – met att. van Someren, met att. vertr. Na Zomeren’. Datum: 3 maart 1790

[8] Bernardus van Zelm werd op 25 januari 1767 te Someren gedoopt. Zie: Nederduits Gereformeerd doopboek, Someren, Brabants Historisch Informatie Centrum, toegangsnr. 8105, inv.nr. 4

[9] Gelders Archief, huis Rosendael archiefnr. 0525, inv.nr.1448

[10] Resolutieboeken van Heren Schepenen van het Dorp en de Dingbank van Someren, 13084 gemeentebestuur Someren 1301-1811 VI Directieven der plaatselijke overheid, 1765-1790, VI-4, folio 215 en VI-4, folio 215

[11] Zie VOC-opvarenden, Nationaal Archief (digitaal)

[12] Roelof van Gelder 1997. Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800). Amsterdam: SUN, p. 42

[13] Ter vergelijking: volgens gegevens op de VOCsite uit 1749 werden matrozen met een maandloon van 8 of 9 gulden, bijna het slechts betaald. De konstabelsmaat verdiende 14 gulden maandelijks, net zoveel als de koksmaat.

[14] Met dank aan Egbert Wijnen voor deze tip.

[15] Alexander van Genève, zo staat er, was knecht van luitenant-kolonel Jacob Salomon Brieseval Des Borgnes, in Suriname een collega van Stedman en ook Quaco zal hem gekend hebben. ‘Mulat’ is de oude aanduiding voor nakomelingen van ouders met een donkere en lichte huidkleur. Merk op dat er staat: ‘vrije mulat’. De associatie tussen ‘slaaf’ en ‘mulat’ was blijkbaar zo vanzelfsprekend, dat het nodig was op te merken deze ‘mulat’ een vrij man was.

[16] Wiro van Heugten 1994, ‘Het kasteel en zijn bewoners’. In: A. Maas (red.), Geschiedenis van de heerlijkheid Asten, Stichting Geschiedschrijving Asten, p. 83-100, p. 94

[17] Gelders Archief, archiefnr. 0525, inv.nr. 708 (oud archiefnummer)

[18] C.E.A. van Hövell tot Westerflier (z.j.) Geschiedenis van de heeren, de heerlijkheid en de dorpen van Asten en Ommel. P. Deel VII, p. 2824 (Regionaal Historisch Centrum Eindhoven)

[19] Deze brief is opgenomen in: Stanbury Thompson 1966, John Gabriel Stedman: A Study of his Life and Times. Thompson & Co./ Stapleford, Notts.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *