Johanna, persoon en personage – Aflevering 3

Wat er aan vooraf ging[1] 

Hiervoor heb je kunnen lezen hoe legerkapitein John Gabriel Stedman, pas gearriveerd in de kolonie Suriname, verliefd wordt op de jonge Johanna. Zijn plan is haar vrij te kopen, haar mee te nemen naar Europa en daar met haar trouwen. Maar Johanna voelt niets voor zijn plannen, wat zij hem meermalen laat weten.  

Deze kwestie staat in het bekende reisverslag van Stedman, dat ik hier aanduid met ‘Narrative’. Opvallend is dat Stedman er in zijn dagboeken, waarvan er enkele zijn overgeleverd, helemaal geen blijk van geeft Johanna mee te willen nemen naar Europa. Het is daarom maar zeer de vraag of Stedman dat wel van plan was. De kwestie heeft zijn Narrative of reisverslag in ieder geval een extra dramatische laag gegeven, terwijl Johanna als persoon en personage door elkaar lopen.   

Verder heb je kunnen lezen dat Stedman een verbintenis met Johanna sluit en daarvoor een overeenkomst met haar familie tekent. Hij weet haar vervolgens te huren en bouwt op de legerplaats bij plantage Espérance een huis voor hen beiden en voor Quaco, zijn zogenaamde futuboi.

Hoe zal het verder gaan nu Johanna zwanger is? In dit derde deel volg ik hun verhouding vanaf eind april 1774. Ook hier lees ik Stedmans Narrative naast zijn dagboeken.  Die laatste zijn leidend, maar ontbreken voor een lange periode.

Dit derde deel eindigt begin 1777, als Stedman op het punt staat afscheid te nemen van Suriname. Binnenkort het laatste en vierde deel. 

Veel leesplezier!    

Ineke Mok, 13 september 2018 

Hoofdstuk 3. Johanna is te koop

(Narrative 30 april 1774 – 20 oktober 1775)

Voor de volgende periode,  van 30 april 1774 tot aan 20 oktober 1775, zijn geen dagboekaantekeningen van Stedman overgeleverd. We moeten er dus op vertrouwen dat Stedman  in de Narrative het verloop van zijn relatie met Johanna realistisch beschrijft. In deze periode van bijna anderhalf jaar wordt hun zoon Johnny geboren, valt Quaco definitief in Stedman’s handen en onderneemt Stedman stappen om Johanna vrij te krijgen. Plantage-eigenares Godefroy biedt haar hulp aan.  

Johanna krijgt nieuwe eigenaren

Uitsnede Quaco – leven in slavernij (Eric Heuvel & Ineke Mok) WalburgPers 2015, p. 38.

Johanna en Stedman zijn veelvuldig samen. Als Stedman ziek wordt, is Johanna daar om hem te verzorgen. Twee maanden verblijven ze voor zijn herstel op plantage Egmond. Quaco is er ook bij evenals een witte bediende, Jacobus van der Meer. Stedman doet van deze periode in zijn Narrative nauwelijks verslag. Hoewel hij zich niet  beter voelt, keert het gezelschap op 14 augustus 1774 terug naar hun huis op plantage Espérance, waar ze niet lang daarna van het echtpaar Lolkens vernemen dat plantage Fauqemberg (de plantage waartoe Johanna en haar familie zou ‘behoren’) een nieuwe eigenaar zal krijgen: Passelaige & Zoon verkopen de plantage  aan De Luden te Amsterdam. Stedman neemt de uitnodiging van mevrouw Lolkens aan dat Johanna uit bij hen thuis in Paramaribo haar zwangerschap zal uitdragen. Hij begeleidt Johanna en de Lolkens naar hun plantage Killesteyn, vanwaar het gezelschap zal doorvaren naar Paramaribo.

A strong and beautiful boy

Op 4 december 1774 ontvangt Stedman het bericht, ‘that my Dear Joana was delivered of a Strong, and beautiful boy’. Hij laat terstond  een schaap roosteren voor de officieren en stuurt een verzoek aan De Luden Johanna aan hem te verkopen.  [2]  Blijkbaar voelt Stedman de urgentie nu hij met  Johanna een kind heeft. Hij laat Johanna weten gezond te zijn en hij kan niet wachten zijn zoon in Paramaribo te begroeten. Daar arriveert hij ‘in cognito’ op 18 december. De kleine krijgt juist een bad van madeira en water, volgens Stedman gebruikelijk voor wie het zich kon permitteren en ongetwijfeld kon mevrouw Lolkens dat. Stedman omhelst vrouw en kind en hij geeft Johanna de gouden penning die zijn vader aan zijn moeder had gegeven bij Stedmans geboorte. (Volgens zijn dagboekaantekeningen gaf Stedman dit geschenk  al in 1773 toen hij op het punt stond te repatriëren. Het kan zijn dat Johanna het cadeau had teruggegeven). Met het vermelden van de schenking in de Narrative na de geboorte van zijn zoon, suggereert Stedman dat hij Johanna en zoon opneemt  in zijn familietraditie.

Als Stedman een maand later, op 18 januari 1775, terug is in Paramaribo, schrijft hij nogmaals aan De Luden.  Stedman neemt weer afscheid van de kleine die met Johanna afwisselend bij De La Marre en de familie Lolkens verblijft. Er volgt een nieuwe patrouille en ze zien elkaar pas in april als Stedman toestemming krijgt van kolonel Fourgeoud voor veertien dagen naar Paramaribo te gaan om afscheid te nemen van de familie Kennedy die naar Europa zal terugkeren. Stedman heeft dan inmiddels aan Kennedy laten weten dat hij Quaco niet zoals Kennedy hem verzoekt, naar hem terugstuurt, maar dat hij Quaco zelf wil kopen, waarmee Kennedy instemt. Er wordt hard geroeid – zie een tentboot voor je met zes tot acht roeiers die zich in het zweet werken – want in twee dagen tijd zijn ze al vanaf Maagdenburg (volgens mijn berekening zo’n 160 kilometer van Paramaribo) in de stad.  Nadat hij eerst zijn jonge gezin heeft begroet, vervoegt Stedman zich bij Kennedy aan wie hij 500 gulden ´for the black boy´ betaalt.

Diorama met een tentboot, Gerrit Schouten, 1817, Rijksmuseum.

Stedman heeft Quaco gekocht. Maar hoe staat het met de eigenaren van Johanna en Johnny, waar blijft de reactie van de firma De Luden? Het is al bijna vijf maanden geleden dat Stedman zijn eerste verzoek heeft verstuurd en Stedman heeft nog geen reactie ontvangen. Op 1 mei laat Stedman weten hoe de kleine zal heten: ‘Johny for thus he was named After Myself, though he Could not yet be Christned (…)`. Dat laatste punt, Johnny’s doop, zal niet eenvoudig blijken, dat komt later. Stedman verblijft op de legerplaats bij Maagdenburg en wordt net als Qauco (‘Who was now Also Sick from Day and Night Watching at my hammock’, 12 juli 1775) zo ziek dat ze samen voor hun herstel naar plantage Oranjebo gaan.

Goed nieuws!

Als Johanna en Stedman zich half juli naar plantage Fauquemberg laten roeien – Johnny is inmiddels zeven maanden oud – vinden ze een bericht van administrateur De Graaff dat De Luden bereid is Johanna aan Stedman te verkopen voor 2.000 gulden, waarbij nog eens 200 gulden opgeteld moeten worden voor overige kosten (N 376). Stedman heeft dat geld niet; hij heeft van kolonel Fourgeoud 500 gulden moeten lenen om Quaco te kopen. Toch valt door de positieve reactie van De Luden een last van Stedman’s schouders en hij laat Johanna’s familie, die hem zo liefdevol behandelt, delen in de proviand die hij zojuist had ontvangen. Daarna vertrekt het jonge gezin  naar Paramaribo, waar Stedman gaat herstellen. Hij trekt met vrouw en kind weer in bij De la Marre en Johanna verzorgt hem.

Mevrouw Godefroy schiet te hulp

Stedman heeft met diverse Europeanen in en buiten Paramaribo een goede relatie opgebouwd. Overal heeft hij eet- en logeeradressen. Die relaties komen hem van pas als hij op een van de legerkampen verblijft, ver van Paramaribo. Regelmatig ontvangt hij van zijn kennissen proviand, een welkome aanvulling op het schrale legerrantsoen. Tot zijn schare vrienden en kennissen hoort ook mevrouw Godefroy, geboren Elisabeth Danforth (1715-1796), weduwe van Abraham Lemmers en van Charles Godefroy. Ze woont in Paramaribo, naast De la Marre aan de Waterkant en ze is eigenares van plantage Alkmaar aan de Commewijne. [3]

 

Plantage Alkmaar, plaat 10. J.G. Stedman, Narrative

Ook voor Stedman en Johanna gaat Godefroy veel betekenen. Maar haar rol blijkt ingewikkeld. De situatie is als volgt. De Graaff en Lolkens, beiden administrateur van plantage Fauquemberg, zijn bereid Stedman krediet te verlenen voor de afbetaling van Johanna.  Stedman schrijft vastbesloten te zijn dit bedrag zelf te betalen, desnoods leeft hij twee of drie jaar op water en brood.  Godefroy hoort van de kwestie en ze nodigt Stedman uit te komen eten. Ze biedt hem aan het geld voor te schieten, want ze weet dat hij dit bedrag met zijn salaris moeilijk zal kunnen ophoesten. Als Stedman het aanbod van Godefroy aan Johanna overbrengt, is zij tot tranen toe geroerd.

Eerst Johnny vrij!

Johanna staat er echter op zelf als onderpand te dienen. Zij zal voor Godefroy werken totdat elke cent afbetaald is. En zij wil dat Johnny in vrijheid wordt gesteld. Zolang dat niet het geval is, zal Johanna haar eigen vrijheid weigeren. Johanna’s primaire belang is dus dat hun zoon Johnny zijn vrijheid verwerft:

(…) Gado Sa Blesse da Woma, And insisted on She herself to be Mortgaged to Mrs. Godefrooy till every Farthing Should be paid,(…) While She indeed Wish’d to see the Emancipation of her Child but till which time She absolutely refused to Accept of her own Liberty – (N 385-386).[4]

Stedman legt daarop schriftelijk vast dat Johanna wil worden overgedragen aan mevrouw Godefroy, maar eerst zal Johanna’s familie toestemming moeten verlenen. In een noot licht Stedman toe dat in Suriname ‘no Respectable Slaves’ – en dat zegt iets over de positie van Johanna en haar familie – apart van hun familie mogen worden verkocht zonder de instemming van ouders, broers en zusters.

De familie van Johanna gaat akkoord en als Stedman en Johanna de volgende dag het nieuws aan Godefroy overbrengen, werpt Johanna zich evenals de vorige keer aan de voeten van deze ‘Divine woman’. Die maant Johanna op te staan en zegt haar toe dat zij niet haar slavin maar haar ‘Companion’ zal zijn. Verder zegt zij toe dat Johanna in vrijheid wordt gesteld als zij, mevrouw Godefroy, sterft.  Johanna krijgt een eigen huis in de sinaasappelgaard en zij zal zelf slaven tot haar beschikking hebben. (N 386)

Contract met Godefroy

Op 5 augustus 1775 staat dan zwart op wit dat Johanna overgedragen wordt van de verrekte (‘wretched’)  plantage Fauquemberg  aan mevrouw Godefroy, ‘the first woman of the colony’,  waarna Johanna Stedman bedankt met een uitdrukking op haar gezicht die slechts ‘could be expressed by the counterance of an angel’.

Stedman doet vervolgens 200 gulden – ze betreffen de kosten voor administratie en commissie –  in zijn hoed om aan De Graaff te overhandigen, maar die scheldt hem dat bedrag kwijt. Hij kan ze aan Godefroy geven en zo geschiedt, waarna Stedman gewag maakt van de lofzang die hem de volgende dag ten deel valt, omdat hij drie personen uit de slavernij heeft gered:

While next Day my Praises Rung Through the Town of Paramaribo And I Was Crown’d for What I Had thus far Finished, With Praises, and Congratulations, Particularly by Mr. & Mrs. De Melly, and Mr. and Mrs. Gordon this Being indeed the third Person/ including Gwacco/ that I had Rescued / Within a little more than 3 Months/ from the Jaws of the Monster Persecutor (…)(N 387)

Stedman  zet zichzelf neer als held, hij laat zich door anderen uitbundig prijzen. Maar heeft hij Johanna en Johnny wel gered door hen over te laten dragen aan Godefroy? Beiden zijn nog in slavernij, en blijven dat voorlopig, evenals Quaco, die met geleend geld in Stedman’s bezit is gekomen. In mijn visie heeft Stedman hooguit voor alle drie hun kans op een leven in vrijheid vergroot. Hij zal zich blijvend voor hun vrijheid moeten inspannen. Dat wil zeggen: hij moet nog 2500 gulden op tafel leggen: 500 voor Quaco en 2000 voor Johanna en Johnny. 

 

 

Hoofdstuk 4. Deal met Godefroy

(Dagboek oktober 1775 – januari 1777)

Stedman verblijft tussen oktober 1775 en januari 1777 afwisselend in Paramaribo en op een legerplaats, en net als Johanna en Johnny wordt hij regelmatig geveld door ziekten. Dan krijgt Stedman eind 1775 de oproep te repatriëren. Tot tweemaal  toe worden in 1776 de bevelen ingetrokken en steeds is er de spanning: lukt het Stedman Johanna en Johnny op tijd vrij te kopen?  Het imago van Godefroy als onbaatzuchtig weldoenster loopt deuken op als ze weigert borg te staan voor de vrijheid van Johanna en Johnny, een kwestie meer vragen oproept dan beantwoordt. Godefroys besluit en de gevolgen ervan beschrijft Stedman in zijn dagboek. Maar de versie in de Narrative verschilt: wat is werkelijk aan de hand?  Een voorzichtige reconstructie van de gebeurtenissen rond de mogelijke vrijheid van Johanna. Het dagboek dat van deze periode is bewaard, vormt het uitgangspunt.     

Huize De Graaff in Paramaribo

Johanna en Johnny namen niet meteen hun intrek bij mevrouw Godefroy. Mogelijk was hun overdracht nog louter administratief van aard, mogelijk kon de feitelijke overdracht nog niet plaatsvinden omdat Godefroy in 1775 af zou reizen naar de Republiek. [5] Moeder en zoon verblijven in ieder geval eind 1775, begin 1776, bij De Graaff aan de Keizerstraat.[6]  Als hij in november meldt dat beiden ernstig ziek zijn, bezoekt Stedman hen onmiddellijk. Hij treft Johanna aan met een groot gat in haar rechterborst en ook de kleine is erg ziek. Stedman legt vervolgens bezoekjes af, koopt een hoed met een gouden rand voor Johnny zoals hij begin 1774 deed voor Quaco, en eind januari betrekt hij zelf een kamer op het erf van De Graaff.

Anders dan in het dagboek vermeldt Stedman in de Narrative dat hij vrouw en zoon op 2 januari gezond en wel aantreft bij De Graaff en direct bij hem intrekt:

And now for Paramaribo Where I Arrived this Evening at 6 O Clock and Found Joana With her Boy Perfectly Recovered, After having both been blind & c for Above 3 Weeks, and With whom being invited to Lodge at the House of my Friend Degraaf, I Was Perfectly Happy –  (N 464).

Hoe het verschil in datum van intrekken bij De Graaff te verklaren? Voor de interpretatie van de relatie tussen Stedman en Johanna lijkt dit verschil niet van betekenis. Maar mocht de Narrative de indruk wekken dat Johanna gewoon logeerde bij De Graaff, uit Stedman’s dagboek is af te leiden dat zij bij hem in dienst was, want op 13 februari schrijft Stedman:  De Graav demits Joanna. I dine Godefrooy’s. Johanna’s moeder lijkt overigens eveneens voor hem te werken,  want Stedman vermeldt bij 10 september 1776 dat zij van De Graaff’s plantage A la Bon Heure naar Paramaribo komt. Ook haar zonen, Gerrit en Henry of Hendrik, zijn bij hem in dienst.[7]

Half februari bezorgt Stedman 500 gulden aan kolonel Fourgeoud, waarmee hij de lening voor Quaco heeft afbetaald, aan Godefroy betaalt hij 500 gulden Johanna. Stedman gaat dus door met afbetalen voor Johanna. Of Stedman daadwerkelijk naar Europa wordt teruggestuurd, blijft lang onduidelijk.  In februari wordt Stedmans terugkeer met zes maanden uitgesteld.

De afbetaling van Johanna volgens dagboek en Narrative

Volgens de Narrative zou mevrouw Godefroy er bij Stedman op aandringen Johanna en Johnny mee te nemen naar de Republiek. [8] In het dagboek heeft Stedman dat niet genoteerd, wat nog niets hoeft te zeggen – hij schrijft niet alles op. Opmerkelijk zou Godefroy’s advies wel zijn. Wat was haar overweging? Gunde ze Johanna haar vrijheid in de Republiek? Daar zou ze dan kapitaalverlies door leiden, behalve als Stedman bleef afbetalen.  Had ze Johanna zelf kunnen meenemen toen ze naar Bergen op Zoom ging om de doop van haar kleinzoon bij te wonen? Heeft ze die mogelijkheid overwogen, of heeft zij nooit Stedman willen overhalen Johanna mee te nemen?

Anders dan in het dagboek voert Stedman Johanna in de Narrative wederom op als de jonge vrouw die haar vrijheid zal weigeren. Ze wil, vrij vertaald, haar weldoeners Godefroy en Stedman niet tegen elkaar uitspelen. Stedmans en haar eigen geluk zouden  pas van enige betekenis zijn als een van hen in staat zou zijn haar vrijheid te betalen. Johanna verlangt naar hun samenzijn, Stedman moet sterk zijn, zegt ze, waarna ze evenals de vorige keer in tranen uitbarst:

(…) but Which the other as nobly as Firmly Refused, declaring that independent of all other Considerations she Could never think of Sacrificing one Benefactor to the Interest of Another, and that her own happiness or even mine Which was Dearer to her than Life, Should never have any Weight, till the Debt of her Liberty should be Pay’d by me of by her own industry to the Last Farthing, and Which she did not Despair to see one Day Completed – She added, our Separation Should only be for a time, And that the Greatest Proof I Could ever Show her of my Real Esteem, was now to undergo this Little Trial of Fortune, like a Man, Without so much as Heaving a Sigh in her Presence, Which Last she Spoke with a Smile, next Embraced her infant, then turned Suddenly About & Wept Bitterly – (N 470)

Tussendoor meldt Stedman in de Narrative dat hij naar het huis van De la Marre gaat, die zojuist gestorven is en de zuster van Johanna met hun twee kinderen achterlaat. Het lijkt alsof hij wil zeggen: dat zal mij niet overkomen. In het dagboek vermeldt hij overigens dat De la Marre twintig kinderen heeft ‘gemaakt’, informatie die in Narrative ontbreekt.

Stedman gaat zich voorbereiden op de terugreis en zal naar hij denkt één of twee jaar zonder Johanna moeten doorstaan. Hieruit zou je dus kunnen opmaken dat Stedman van plan is door te gaan met afbetalen aan Godefroy en dat hij vervolgens Joanna en Johnny naar Europa zal halen.

Zoals gezegd, in het dagboek staat dit alles niet. In februari en maart 1776 zal hij nog in de buurt van Johanna zijn, daarna maakt hij zich al weer op voor zijn zesde expeditie. Op 8 maart – de verjaardag van stadhouder Willem V wordt altijd gevierd door de  Europeanen  in de kolonie- schenkt Stedman Johanna een stuk  sits.[9]  Mevrouw Godefroy krijgt zijn schets van haar plantage Alkmaar en drie dagen later ook een portret van haarzelf.

Samenwonen op Espérance

 

…whom [i.e. Johnny en Johanna] I dayly expect on L’ Esperance where I have built a nice house once more for their reception, in imitation of Bonny’s, in his country of Boosy-cry (4 maart 1776)[10].

Eenmaal terug op Espérance zendt Stedman De Graaff het verzoek vrouw en kind naar hem toe te sturen. Op 7 mei arriveren Johanna en Johnny die Stedman regelmatig – ook nu – aanduidt met ‘Jack’, zoals hij ook door zijn eigen ouders werd genoemd. De Graaff is meegekomen met hen en samen met  Gourley leggen ze bezoekjes af,  onder meer aan aan Fauquemberg, de plantage waar Johanna’s familie woont en waarvan De Graaff administrateur is.  Voor die gelegenheid zou Johanna zich omkleden in haar ‘worst suit,  a proof of her sense, and modesty´ . (12 mei 1776)

Joanna moet dus doorgaans goed gekleed zijn gegaan maar wilde zich blijkbaar niet boven de anderen van de plantage stellen. Stedman prijst haar hierom. Verder leren we dat Johanna ook kon houtsnijden: op 27 mei heeft ze voor ene Cabanus een lepel gemaakt, volgens Stedman geen slecht werk. Heel lang genieten ze niet van hun samenzijn want in juni keert Stedman terug naar Paramaribo.

2e Bevel tot repatriëring

Stedman lijkt zich serieus in te zetten voor zijn gezin,  want op 23 juni gaat hij langs bij Gourlay, die hem belooft te zullen helpen met de  vrijlating Johanna en Johnny. Er is haast bij, want voor 18 juli is de repatriëring gepland. De troepen zijn verzameld in Paramaribo en drie schepen worden gereed gemaakt voor vertrek. Johanna en Johnny zijn inmiddels ook in Paramaribo gearriveerd.

Op 21 juli noemt Stedman Godefroy  ‘that excellent woman’, die hem zoveel geschenken meegeeft voor de terugreis dat hij die niet allemaal in zijn dagboek kan opsommen. Twee dagen later geeft hij  ‘worthy Mrs. Godefrooy’ 200 gulden, waarmee hij in totaal 900 gulden heeft afbetaald voor Johanna, nog 1300 te gaan.

Terwijl de vlaggen aan boord worden gebracht, verblijft Stedman bij zijn gezin, waar hij liever is dan bij zijn maten, die naar het theater gaan. Hij wordt ziek, net als zijn zoon, staat er bij 24 juli:

The poor girl is almost distracted with the thoughts of me going away, and the little boy and myself have every day the fever.

Maar wederom veranderen de plannen. Terwijl de bemanning al aan boord is, wordt een nieuw bevel van Willem V voorgelezen: zolang er geen nieuwe troepen arriveren, gaat er geen legereenheid terug, de gewonden uitgezonderd.

Een nieuw contract met Godefroy

Stedman moet volgens een aantekening in zijn dagboek nog veel geld op tafel leggen om Johnny en Johanna vrij te kopen.  Zolang dat niet is gebeurd, is er kennelijk een borg nodig van Godefroy  en had Gourlay zich daarvoor ingespannen. Gourlay nu laat op 3 augustus 1776 aan Stedman weten dat Godefroy niet van plan is een borg van 300 gulden te betalen, waarmee ze zou verklaren dat zowel Johnny en Johanna nooit ten laste zouden komen van de kolonie.

Stedman toont zich in zijn dagboek ontzet over Godefroy’s weigering. Een week later tracht hij haar op andere gedachten te brengen. Tevergeefs.  Johanna en Stedman moeten wanhopig zijn, want er is nog niets geregeld voor Johanna’s en Johnny’s vrijheid en Stedman zal toch binnen enkele maanden  moeten vertrekken. Op 18 augustus praat hij nogmaals met mevrouw Godefroy en drie dagen later doet ook Johanna een poging haar te overreden. Het mag niet baten. Godefroy houdt voet bij stuk.

Dan neemt Stedman een in mijn ogen drastisch besluit: op 24 augustus 1776 stopt hij na twee jaar met de afbetaling voor Johanna en sluit hij een deal met Godefroy. Beter gezegd: hij gooit het op een akkoordje met haar, want er staat:  ‘with whom [Godefroy, IM] I strike a bargain.’ Een reden voor dit besluit geeft Stedman hier niet, dus het blijft speculeren over zijn beweegreden. Het is mogelijk dat hij er niet meer van overtuigd was zelf het geld voor Johanna  op tijd, dus voor zijn terugkeer naar de Republiek,  bijeengespaard te hebben. Dat kan. Hoewel? Stedman was al bijna op de helft met afbetalen, en dat al na twee jaar Suriname. In die tijd had hij ook de 500 gulden voor Quaco neergeteld.  Hij moest nog veel betalen, maar was het echt onoverkomelijk voor hem het bedrag bijeen te sparen? Had hij het geld niet kunnen lenen, zoals hij ooit voor Quaco had gedaan, bijvoorbeeld bij De Graaff, of bij zijn andere vrienden, Gourlay en Gordon?  Hij had zelfs – wat voor Quaco ongetwijfeld een hard gelag zou zijn – Quaco kunnen verkopen. Waarschijnlijk kon Stedman dat niet over zijn hart verkrijgen.

Uitsnede Quaco – leven in slavernij (Eric Heuvel & Ineke Mok), WalburgPers 2015, p.38.

Kennelijk vertrouwde Godefroy er niet op dat Stedman met het resterende bedrag over de brug zou komen als hij eenmaal Suriname had verlaten. Godefroy’s handelwijze vind ik heel lastig te duiden.  Ik verbaas mij erover dat zij, door Stedman voortdurend geprezen om haar karakter, niet bereid was enig geld neer te leggen als borg, zodat beiden hun vrijheid al konden genieten nog voor Stedman het volledige bedrag had afbetaald. Ik begrijp althans dat dit het nut zou zijn van die borg. Kon Godefroy hem de rest trouwens niet kwijtschelden? De hoogte van het bedrag kon het probleem bijna niet zijn, want ze was een vermogende vrouw.  Zij kon Johanna ook als vrije vrouw in dienst houden.  Dan was Johanna verzekerd van een woning en enig inkomen, Godefroy had evengoed haar gezelschapsdame. Nu hield Godefroy Johanna in gevangenschap en kon Johanna pas na Godefroy’s dood haar vrijheid opeisen.  Vreesde Godefroy dat Johanna er vandoor zou gaan?  Of kwam het gewoon niet in haar op mee te werken aan de vrijheid van vrouw en kind, omdat zij als plantage-eigenaar haar toch, ondanks haar beloften en de ‘gunsten’ die zij Johanna verleende, in de eerste plaats als haar bezit zag, waartoe ze ook de mannen, vrouwen en kinderen op haar plantage kon rekenen?

Terug naar Stedman. Hij noteert zijn drijfveren voor de deal met Godefroy niet. Hij schrijft wél dat de deal meer tot zijn eigen voordeel strekt dan tot voordeel van Johanna. Zoals hij zelf optekent: met deze deal spaart hij 900 florijnen uit, evenals de kosten voor een huis en een stuk grond. Hij troost zich met de gedachte dat Godefroy zich dan wel niet zozeer als een ‘mistress’ en eerder als een moeder betoont. Dus ze verbindt Johanna aan zich en biedt haar een goed leven, relatief gezien en vooral door de ogen van Stedman en Godefroy. Feit is dat Johanna formeel in slavernij bleef, en Johnny met haar. Naar mijn idee geeft Stedman op 24 augustus 1776 zijn serieuze pogingen Johanna vrij te kopen op, ook al profileerde hij zich eerder in de Narrative expliciet als groot weldoener, die vrouw, kind en slaaf Quaco, uit de slavernij bevrijdde. In ieder geval wordt de volgende dag het contract getekend tussen Godefroy en Stedman in het bijzijn van Johanna’s moeder, wat het volgens Stedman aangenamer maakt. Hij ontvangt 50 gulden van Godefroy retour en een cheque.

Voor Johnny´s vrijheid  blijft Stedman zich wel inzetten. Nog op 24 augustus dient Stedman bij de gouverneur Jan Nepveu het verzoek in zijn zoon in vrijheid te stellen. Johanna wordt in het dagboek pas weer genoemd op 14 oktober, ofwel zes weken later.

Het nieuwe contract volgens de Narrative

Anders dan in het dagboek zou Godefroy er volgens de Narrative bij Stedman op aan hebben gedrongen Johanna en Johnny mee te nemen naar Holland (Narrative 21 juli 1776). Godefroy deed dat toen  Stedman al zijn geld uit zijn zakken haalde, 40 pond in totaal, bedoeld voor de afbetaling.  Maar ook dit keer weigerde Johanna resoluut op dit voorstel in te gaan:  (…) till she said we should be Able to Redeem her by Paying the Last farthing that we owed. (N 507) Johanna wilde haar vrijheid, op voorwaarde dat zij en Stedman zelf hiervoor elke cent op tafel zouden leggen. Zoals gezegd, die kwestie komt in het dagboek niet voor. Op die dag, 21 juli 1776, is Stedman volgens zijn dagboek wel bij Godefroy te gast en zo ook twee dagen later, maar dan meldt hij uitsluitend alle cadeaus die zij hem meegeeft voor de terugreis, waaronder een paar handschoenen. Dat hij Johanna zou willen meenemen naar Europa staat er niet bij. Evenmin dat Johanna erop aan zou dringen dat zijzelf alles moeten betalen.

Beeld Waterkant. Louise van Panhuys 1811/ 1812. Huis van Godefroy ligt ongeveer halverwege de bebouwing.

De kwestie van de borg ligt in de Narrative net iets anders. Hoopte Stedman er volgens het dagboek op dat Godefroy borg zou staan voor Johnny én Johanna, volgens de Narrative zou het hierbij alleen om Johnny gaan. De kwestie van de borg speelt zich volgens de Narrative af op 1 augustus.  Die dag wandelt Stedman naar huize Godefroy. Hij wil ervoor zorgen dat in ieder geval zijn zoon (Johanna noemt hij dus niet) gemanumitteerd wordt en hij vraagt of Godefroy borg wil staan voor hem. Ook in de Narrative weigert Godefroy en Stedman weet zich getroost door de wetenschap dat zij haar eigen zoon eerder hetzelfde had geweigerd. Stedman zal ‘deze weldoenster’, zo staat er, haar weigering verder niet verwijten. In het dagboek lag dat dus anders: hijzelf en Johanna probeerden Godefroy op andere gedachten te brengen en hij was razend op Godefroy. Met andere woorden: de reputatie van Godefroy blijft in de Narrative onaangetast, in het dagboek liep die schade op.

24 Augustus, de feestdag vanwege de verjaardag van de zoon van Willem V (zou het op die dag staan gepland omdat op een feestdag de familie van Johanna kan komen?), wordt volgens de Narrative  het contract getekend tussen mevrouw Godefroy, de moeder van Johanna en andere familieleden. (In het dagboek is deze gebeurtenis een dag later gedateerd en zouden alleen de moeder van Céry en Godefroy erbij aanwezig zijn). Het contract zou niet alleen inhouden dat Johanna definitief wordt overgedragen Godefroy en een vrije vrouw wordt als Godefroy overlijdt, maar ook dat Johanna altijd bij haar eigenaresse zou blijven – én dat deze Johanna alleen met Stedman zou delen:

(…) Whereby the Above Lady bound herself never to Part with her to myself alone Excepted until she died (…) (N 551)

Bij lezing van de gebeurtenissen in augustus in het dagboek kreeg ik de indruk dat Stedman geen uitweg meer zag toen Godefroy weigerde borg te staan. Hij gaf de moed op Johanna ooit nog vrij te krijgen. Of, misschien wilde hij zich er niet meer tot het uiterste voor inspannen. In de Narrative kon ik slechts een indirect argument vinden voor het nieuwe contract:  Johanna’s halsstarrigheid zou hier debet aan zijn. In een bijzin voert Stedman Johanna’s herhaalde weigeringen mee te gaan naar Europa, als motief op zijn afbetaling te staken:

‘Poor Joana being  inflexible in her Resolutions/ I Ratified the Agreement with the Good Mrs. Godefrooy in Presence of her mother & Other Relations (…)’ (N 551)

De inhoud van de overeenkomst is verder gelijk aan die Stedman in het dagboek vermeldt. Godefroy schenkt Johanna een portemonnee met bijna 20 gouden dukaten, een stuk Oost-Indische sits, waarna ze er vervolgens bij Stedman op aandringt een verzoek tot vrijlating van Johnny in te dienen bij het hof van justitie. Opmerkelijk is dat in het contract met Godefroy Johnny niet genoemd wordt, tenminste dat blijkt niet uit het dagboek of de Narrative.

Hoe dan ook, Stedman gaat eten bij gouverneur Jan Nepveu en overhandigt hem zijn verzoek. Nepveu belooft het verzoek aan het hof voor te leggen, maar hij geeft Stedman weinig hoop: Johnny zal in slavernij sterven tenzij Stedman iemand vindt die voor Johnny borg wil staan en volgens Nepveu zijn daar maar weinigen toe bereid. [11] Zou Nepveu dit werkelijk hebben gezegd? Dat weten we natuurlijk niet, maar zijn pessimisme versterkt de dramatiek, waar Stedman zelf nog een schepje bovenop doet door zijn medelijden met de jongen uit te spreken en hij verwijt zichzelf hier de oorzaak van te zijn:

(…) to See this dear little Fellow, of who I was both the Father  And the master Exposed to Perhaps Eternal Servitude – As for Joana She was now Perfectly Safe but Alas! Poor Johnny, who feels not for this infant (…) (N 551)

Het is een meeslepend en ontroerend relaas dat Stedman hier schetst. Opvallend is dat hij hoop put uit de vernieuwde wetgeving in Nederland: in deze wet wordt bepaald dat personen in slavernij die die naar Nederland reizen, zes maanden na aankomst op Texel hun vrijheid verwerven en dat die termijn hoogstens tot één jaar verlengd kan worden,  maar geen dag langer. [12]

By this being Persuaded I should one day Joyfully Fetch both him & his Mother, over the Atlantick, my heart was relieved from the Wight of a Milstone –  (N 551).

Twee zaken zijn op zijn minst opmerkelijk: Stedman noemt zichzelf niet alleen de vader, maar ook Johnny’s eigenaar, terwijl volgens de Surinaamse wetgeving elke pasgeborene eigendom was van de eigenaar van de moeder, in dit geval de eigenaren van plantage Fauquemberg en later van Godefroy. Wellicht is bij de overdracht aan Godefroy alleen het lot van Johanna bezegeld en werd Johnny toen overgedragen aan Stedman? Of behoorde hij toch nog aan plantage Faukembourg, om in de toenmalige koloniale termen te spreken?

Lastig te plaatsen is ook Stedmans bewering dat hij  zich gerustgesteld weet door de hernieuwde wetgeving in Nederland, terwijl strikt genomen slavernij eerder verboden was in Nederland en nu toch werd toegestaan, zij het voor een afgebakende periode van maximaal een jaar. Daarbij, Johanna heeft volgens de Narrative te kennen gegeven absoluut niet mee te zullen gaan naar Europa. Zij wilde bovenal Johnny’s vrijheid.  Desalniettemin spreekt Stedman zijn hoop uit beiden eens over te laten komen.

Stedman verblijft de maanden daarna op diverse plantages, ook op plantage Alkmaar waar hij mevrouw Godefroy treft. Het kan zijn dat Johanna haar vergezelde, feitelijk valt haar naam, zoals gezegd, pas weer op 14 oktober in het dagboek. Die dag betrekt zij haar nieuwe woning op het erf  van Godefroy’s huis aan de Waterkant in Paramaribo. Dat moet een enorm perceel zijn geweest. Volgens opgaaf van Philip Dikland was het 130×240 voet, ofwel zo´n 40 bij 80 meter, waarop aan de straatkant het woonhuis van Godefroy stond, met daarachter het erf, met in ieder geval fruitbomen en de verblijven van alle mannen en vrouwen die Godefroy in de stad in slavernij hield. [13] Stedman noemt Johanna die maand nog op 23 oktober, dan eet hij bij haar thuis. Zo verloopt het volgens het dagboek. In de Narrative heeft Stedman voor oktober 1776 alleen de gebeurtenissen van 8 oktober weergegeven.

Nu Johnny nog

Gerechtsgebouw Suriname te Paramaribo door J.P Benoit ca. 1830. In 1776, het jaar waarin Johnny’s vrijheid hierop werd aangekondigd, was het gebouw net in gebruik genomen.

Johnny’s vrijheid is aanstaande. Op 6 oktober (volgens de Narrative op 8 oktober) wordt die aangekondigd op het gerechtsgebouw,  wat Stedman in de Narrative als volgt weergeeft:  I perceive a billet tuckt on the Court House, for my little boy’s liberty against New Year. De aankondiging biedt de mogelijkheid bezwaar in te dienen tegen zijn vrijlating. Als Stedman op 6 november weer bij Godefroy eet, geeft hij Johanna een kopie van het contract waarin haar vrijheid wordt bepaald. Het origineel gaat naar zijn vrienden Gordon en Gourlay, die Johanna en Johnny zullen bijstaan. Johnny zelf beschikt inmiddels over een kindermeisje of verzorgster – lees: een vrouw in slavernij – , zo blijkt, want voor haar laat Stedman van de plantages Fauquemberg en Knoppemombo een schaap en eieren komen.

Stedmans repatriëring is aanstaande

Dan vertrekt Stedman weer  op patrouille. Terug op Espérance toast hij op 27 november op de verjaardag van Johnny.  Dan ontvangt hij op 10 december 1776 van Johanna en Godefroy niet alleen proviand en schoenen, maar ook het bericht dat drie schepen met 350 manschappen bij Braamspunt, de monding van de Surinamerivier, klaar liggen om op te varen naar Paramaribo. Een van de schepen is het schip Hollandia van kapitein Hidde Jansz. Backer, bij wie Stedman aan boord zal gaan. Stedmans vertrek is nu werkelijk op handen.

 

**********

[1] De uitgelichte afbeelding is van graveur G.G. Smith, in Isaac Knapp 1838. J. Stedman. Narrative of an emancipated slave of Surinam. Boston, omslag.

[2] Volgens stadsarchief Amsterdam gaat het hier om ‘De Luden en Zonen’. Noch via de inventaris van het archief van Passalaiges & Zoon, noch via het archief van De Luden vond ik in het stadsarchief Amsterdam een brief van Stedman of een plantage-administratie van plantage Fauquemberg. Info over deze plantage: https://drive.google.com/drive/folders/0B88mZFitv8emSEY2TlpSaHdCaXc?tid=0B88mZFitv8emcjVfcG5hWFJOdWs

[3] Deze plek aan Waterkant in Paramaribo leid ik af uit de huurwaardelijst Paramaribo 1772, opgenomen als bijlage in C.L. Temminck Groll e.a. 1973, De architectuur van Suriname 1667-1930. Zutphen: WalburgPers

[4] Deze lezing, waarbij het accent op Johnny’s vrijheid ligt, heb ik elders niet aangetroffen, maar zoals gesteld, niet alle studies over Johanna heb ik systematisch doorgenomen, maar ook in de recente hertaling van Stedman’s  geschriften lijkt het of voor Johanna hun beider vrijheid even belangrijk is: ‘Joanna verlangde er vurig naar haar zoon vrij te zien, maar weigerde toch haar (en zijn) vrijheid te accepteren zonder de door haar gestelde voorwaarde ‘. Die voorwaarde luidt dat zijzelf als onderpand zal dienen totdat het hele bedrag is betaald. (Michaël Ietswaart 2014, Reize naar Surinamen: Dagboek van John Gabriël Stedman 1772-1777, Zutphen: WalburgPers: 197-8).

[5] Op zoek naar sporen van Quaco in het archief van Bergen op Zoom kwam ik de naam van vrouw Godefroy tegen in het doop- en trouwboek van de Waalse kerk. Hieruit blijkt dat zij, ‘weduwe van Charles Godeffroij, grootmoeder van vaders kant Elisabeth Danforth’, op 5 oktober 1775 getuige was bij de doop van haar kleinzoon, Abraham Danforth Lemmers, zoon van Jacob Lemmers en Marie Catherine de Brauw. Godefroys zoon, Jacob Lemmers, was schepen en oud-burgemeester van Bergen op Zoom, staat erbij vermeld.

[6] Aan de rechterkant vanaf de Waterkant, net voor de kruising met de Klipstenenstraat, twee stoepen voorbij Kennedy, zie huurwaardelijst Paramaribo 1772, opgenomen als bijlage in C.L Temminck Groll, A. Tjin-A-Dije e.a. 1973, De architectuur van Suriname 1667-1930, Zutphen: WalburgPers

[7] Zie hoofdstuk 5.

[8] Er staat dat vrouw Godefroy er ‘weer’ op aandrong, maar die eerdere keer heb ik (nog) niet gevonden.

[9] In de Narrative schrijft Stedman dat hij wijde rokken van de mooiste Indiase sits, tafellinnen en een ‘Cocked Gold Lace Hat’ had aangetroffen die marrons op de vlucht hadden achtergelaten. De sits zou Stedman bewaren voor Johanna. (N 427)

[10] Overgenomen uit Stanbury Thompson (ed.) 1962. The Journal of John Gabriel Stedman 1744-1797 Soldier and Author, Including an authentic account of his expedition to Surinam, in 1772. London: The Mitre Press: 196.

[11] Na 1733 was een manumissie alleen rechtsgeldig als de gouverneur en de raden van politie hiermee instemden. Zie: Pieter Bol & Jean Jacques Vrij 2009. Sranan famiri: Surinaamse familie. Den Haag: Centraal Bureau voor Genealogie, Voorouders van verre nr. 5:23

[12] Volgens De Narrative zou deze wet mede tot stand zijn gekomen door Graman Quassie. Opmerkelijk is dat hijzelf dan nog niet is teruggekeerd naar Suriname.  Volgens het digitale overzicht van inkomende en uitvarende schepen te Paramaribo van De Bye was dit later, op 4 september. Wellicht dat een aantal berichten al doorkwam, terwijl de schepen bij Braamspunt wachtten op toestemming om door te varen. Zie voor deze wet ook mijn twee blogs uit 2016: Slavernij in de Republiek.  

[13] Zie Suriname Heritage Guide, Philip Dikland, bij Paramaribo, pfd Waterkant 084, 2004.

2 antwoorden
  1. Roelof van Gelder
    Roelof van Gelder zegt:

    Je bevindingen komen in grote lijnen overeen met wat ik over de kwestie heb geschreven. De schrijfwijze van personen en plaatsen is soms wat verschillend. De rol van Godefroy – wat betreft die borg – blijft inderdaad merkwaardig, maar volgens mij loopt het voor alle betrokkenen toch zo goed mogelijk af (behalve dat Stedman en Johanna elkaar niet meer zouden zien). Godefroy heeft voor weinig geld een uitstekende gezelschapsdame, Johanna weet zich in veilige handen (haar plantage zou verkocht worden en misschien wel aan iemand die een hardvochtige opzichter aan zou stellen), Johnny was vrij en zo kon Stedman met een gerust alhoewel een droevig hart vertrekken. Hij kon niet blijven (hij wilde geen militair blijven in het ongezonde klimaat en het was voor hem onmogelijk om een plantage te kopen; anderzijds wilde zij niet mee).
    Nadere details staan in mijn biografie over Stedman die op 5 oktober a.s. verschijnt bij uitgeverij AtlasContact onder de titel Dichter in de jungle. John Gabriel Stedman (1744-1797).

    Beantwoorden
    • Ineke Mok
      Ineke Mok zegt:

      Dag Roelof, bedankt voor je reactie en alvast zeer gefeliciteerd met je boek over Stedman, ik kijk er naar uit! Goed te lezen dat onze interpretaties van de relatie tussen Stedman en Johanna in grote lijnen overeenkomen. Zelf ben ik er echter helemaal niet van overtuigd dat Stedman van plan geweest zou zijn Johanna mee te nemen naar Europa. En ergens verbaas ik mij erover dat hij toch wel vrij abrupt stop met afbetalen van Johanna (hij koopt daarna nog een mooi pak van 200 gulden…).
      Ik hoop dat iemand nog eens kan duiden hoe het nu precies zit met de borg en wat de reden is dat Godefroy die borg niet wil betalen.
      Het laatste woord is vast nog niet gezegd,
      groet, Ineke

      Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *