Johanna, persoon en personage – Aflevering 1

Vooraf

Sinds begin dit jaar prijkt de ingelijste afbeelding  van Johanna op mijn bureau. Zij was de geliefde van legerkapitein John Gabriel Stedman toen hij van februari 1773 tot april 1777 in Suriname verbleef. Zijn ervaringen legde hij vast in een rijk geïllustreerd reisverslag dat geldt als een van de indrukwekkendste getuigenissen van de slavernij in Suriname. Wat hij daarin schreef over zijn zogeheten futuboi Quaco inspireerde mij tot schrijven van het stripverhaal Quaco – leven in slavernij (2015).

In dit stripverhaal komt Johanna ook voor en eigenlijk wilde ik in een blog haar rol in dat verhaal  toelichten.  Af en toe pakte ik daarom het reisverslag van John Gabriel Stedman weer ter hand. Maar steeds leek ik er wat anders in te lezen, mijn blog dijde uit, terwijl het aantal historische personen groeide van wie ik eveneens een portret wilde schrijven.

Daarom staat Johanna op mijn bureau. Feitelijk staat ze pal naast mijn scherm, een beetje schuin tegen het geluidsboxje van mijn computer geleund.  Ik zie haar vanuit mijn linkerooghoek zodra ik mijn blik op mijn scherm richt en zij kijkt mee. Dwingend herinnert zij mij er zo aan dat ik eindelijk  dat blog over haar afrond. Nu is het zover. Het blog werd wat lang, maar de punt is gezet. Tijd om mijn interpretatie van de verhouding tussen Johanna en Stedman te delen.

Dat doe ik in verschillende afleveringen:  de inleiding met hoofdstuk 1 vormt deze eerste aflevering, daarna volgen in afzonderlijke afleveringen de andere hoofdstukken. Opmerkingen zijn zeker welkom.  Die verwerk ik, zoals ik ook deed met die van Carl Haarnack, Els Schellekens, Gustavo Janga en Dineke Stam, die ik hierbij dank voor hun eerste kritische lezing. Als alles in blog is verschenen, maak ik er één pdf van, wie weet met omslag.

Wil je eerst iets meer informatie over Stedman? Hier vind je een korte introductie: Het Surinaamse reisverslag van John Gabriel Stedman.

 

Inhoud afleveringen:

  1. Inleiding; Hoofdstuk 1 Kennismaking
  2. Hoofdstuk 2 Stedman wil Johanna meenemen naar Europa; Hoofdstuk 3 Verlangens en belangen
  3. Hoofdstuk 4 Johanna is te koop; Hoofdstuk 5 Deal met Godefroy
  4. Hoofdstuk 6 A free Citizen of the World; Joanna is nog more; Naschrift

 

Inleiding

John Gabriel Stedman (1744-1797).

In de James Ford Bell Library van de Universiteit  van Minnesota worden twee belangrijke documenten van John Gabriel Stedman bewaard: zijn originele dagboekaantekeningen en het manuscript van de Narrative dat hij begin 1791 inleverde bij uitgeverij Joseph Johnson te London. Dat manuscript is in 1988 letterlijk getranscribeerd door Richard Price en Sally Price: Narrative of a five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam. Transcribed for the First Time from the Original 1790 Manuscript. [1]

Stedman’s dagboek van 1772 en 1773.

Dit manuscript, dat ik hier verder voor het gemak aanduid met Narrative, gebruikte ik met Stedman’s originele dagboekaantekeningen als de primaire bron in mijn poging het levensverhaal te reconstrueren van Quaco, de zogeheten futuboi of persoonlijke slaaf van Stedman. Hoewel de aantekeningen in Stedman’s dagboeken summier en incompleet zijn, vormen ze een rijke historische bron. Af en toe bieden ze andere informatie en ontstaat daardoor een net iets ander beeld van de werkelijkheid die Stedman in de Narrative schetst. Dat geldt ook voor het beeld van  Johanna. Dat wil zeggen: de dagboekaantekeningen werpen volgens mij een ander licht op Stedman’s pogingen zijn zoon én Johanna vrij te krijgen.

En dat niet alleen. Het beeld dat Stedman in de Narrative schetst van zijn relatie met Johanna gaat wankelen als je daar de persoonlijke aantekeningen van Stedman naast legt.  Dan is het maar de vraag of Johanna wel de jonge, zelfbewuste vrouw is die edelmoedig weigert mee te gaan naar Europa en die alleen vrij wil zijn als zij in staat is zichzelf vrij te kopen. Zo komt Johanna tenminste naar voren in Stedman’s Narrative. Het is een sterk dramatisch beeld dat al twee eeuwen heeft overleefd en bijvoorbeeld terugkeert in de roman Van Beryl Gilroy uit 1991: Stedman and Joanna – A Love in Bondage: Dedicated Love in the Eighteenth Century. [2]

Een weerslag van mijn interpretatie van de relatie tussen Stedman en Johanna is lezen en te zien in het stripverhaal over Quaco. Daarin doet Stedman geen expliciet verzoek aan Johanna mee te gaan naar Europa. Evenmin zegt Johanna daarin haar vrijheid alleen te accepteren als zij zichzelf kan vrijkopen. Achteraf gezien zou ik zelfs de suggestie dat Stedman haar wil meenemen naar Europa liever hebben weggelaten.

uit: Eric Heuvel & Ineke Mok (2015) Quaco – Leven in slavernij: 26.

Terwijl ik de dagboeknotities van Stedman op dit punt nog eens overlas en vergeleek met wat hij over Johanna en Johnny’s vrijheid schreef in de Narrative, bleek het allemaal ingewikkelder dan ik na  eerste lezing meende. Steeds meer ging ik de Narrative daadwerkelijk als een verhaal zien dat om zeer nauwkeurige lezingen vroeg. Want wat lezen we precies in de Narrative over Johanna en over Stedman’s pogingen Johanna en zijn zoon vrij te krijgen? Hoe ontwikkelde hun relatie zich en welke rol speelde de weduwe Godefroy eigenlijk, wier karakter Stedman in de Narrative zo prijst en die zich, schrijft hij, als een moeder over Johanna zou gaan ontfermen?

Er is veel over Johanna geschreven.[3] In Nederland deed Gloria Wekker dat bijvoorbeeld in het  artikel met de veelzeggende titel: ‘De mooie Joanna en haar huurling.’  – Wekker  draait hier het perspectief weg van Stedman ten faveure van Johanna.[4] Ik vond geen studie die zich expliciet richtte op Johanna en de dagboeken van Stedman daarbij als leidraad gebruikte. Een paar studies heb ik bekeken, maar ik besloot al snel zonder te veel invulling vooraf opnieuw gedetailleerd te gaan lezen en mijzelf laten verrassen. Uitzondering hierop zijn de inleiding en de noten van Richard en Price (1988) in hun uitgave van het originele manuscript. Regelmatig verwijs ik naar de verschillen die zij signaleerden tussen de dagboekaantekeningen, het manuscript van de Narrative uit 1790 en de eerste gepubliceerde Narrative uit 1796, en dat is inclusief de verschillen die betrekking hebben op de relatie tussen Stedman en Johanna.

Dagboeken en manuscript

Mijn analyse is gebaseerd op Stedman’s dagboeknotities en het manuscript voor de Narrative, zoals uitgewerkt door Price en Price (1988). Qua volume zijn ze onvergelijkbaar: de dagboeken bestaan overwegend uit korte notities, het manuscript beslaat honderden pagina’s waarin Stedman duidelijk beoogt de lezer te informeren over de geschiedenis van Suriname, de flora, de fauna, de bevolkingsgroepen én het wrede systeem van de slavernij. Zijn eigen observaties en ervaringen geven er een onderliggende structuur aan en heeft hij van data voorzien. Bovendien horen bij het manuscript ook nog eens tachtig gravures die gebaseerd zijn op tekeningen of aquarellen van Stedman zelf.

Uitgave Price en Price 1988, mijn exemplaar.

De Londonse uitgever van Stedman’s Narrative, Joseph Johnson, zorgde voor de graveurs, onder wie schilder en dichter William Blake, de schilder Thomas Holloway en de Italiaanse schilder Francesco Bartolozzi. Zoals in Stedman’s dagboekaantekeningen te lezen valt, had hij regelmatig overleg met hen. Hij was lang niet altijd tevreden met het resultaat en corrigeerde zelf enkele platen.[5] [6]

Echt ontevreden was Stedman met de inhoudelijke wijzigingen die de redacteur had aangebracht. Die had bijvoorbeeld de uitbundige beschrijving van Johanna’s schoonheid afgezwakt, evenals Stedman’s hulde voor het uiterlijk en de netheid van de Afrikaanse vrouwen en zijn waardering voor de Afrikaanse culturen en gewoonten. Minder duidelijk werden Stedman’s expliciete verwijten aan het adres van de kolonisten wier sadisme jegens mensen in slavernij geen grenzen kende, terwijl het groot aantal verhoudingen tussen Europese mannen en vrouwen in slavernij, waar Stedman vrijmoedig over schrijft in zijn manuscript, kleiner werden gemaakt. [7] Hier en daar kon Stedman zijn invloed nog laten gelden, maar uiteindelijk stemde hij in met de publicatie. Wellicht voelde hij zich hiertoe genoodzaakt omdat zijn gezondheid achteruitging en hij zich zorgen maakte over zijn financiën. Stedman stierf in 1797, een jaar nadat zijn werk in Engeland was uitgekomen.

Juist vanwege de inhoudelijke redactionele ingrepen in de gepubliceerde versies van het werk van Stedman – ze zijn ook in de Nederlandse edities te lezen – laat ik die hier buiten beschouwing; zijn dagboeknotities en zijn manuscript voor de Narrative zullen dichter bij zijn werkelijkheid van toen hebben gestaan, of voor wat betreft het manuscript, dichter bij de werkelijkheid hebben gestaan die Stedman aan de lezers beoogde over te dragen; een dagboek bevat strikt genomen eveneens een geconstrueerde werkelijkheid, maar zal ‘de werkelijkheid’ weer meer benaderen dan het manuscript.[8]

Ontbrekende dagboeken

Stedman’s dagboeken vormen mijn uitgangspunt.  Ze worden, zoals gezegd, bewaard in de James Ford Bell Library van de universiteit in Minnesota en zijn sinds een paar jaar digitaal in te zien. Stedman’s handschrift is zo echter niet altijd eenvoudig te lezen – in het manuscript heeft hij duidelijk zijn best gedaan leesbaar te schrijven. Daarom houd ik voor de dagboeken de transcriptie van Stanbury Thompson uit 1962 ernaast.[9] Die is zeker niet overal even betrouwbaar is – hij laat soms een fragment weg – maar biedt houvast.

Titelpagina manuscript.

Van Stedman’s Surinaamse tijd, van februari 1773 tot 1 april 1777, zijn voor twee perioden dagboeken en persoonlijke aantekeningen overgeleverd:  van februari 1772 tot en met 29 april 1774 en van 20 oktober 1775 tot en met 24 december 1776. Dit betekent dat voor twee andere perioden het manuscript van de Narrative de enige bron is: van eind april 1774 tot oktober 1776 en vanaf 1 januari 1777, het jaar waarin Stedman Suriname voorgoed vaarwel zegt.

De Narrative besluit met een samenvatting van belangrijke gebeurtenissen na aankomst in Nederland in 1777, zijn dagboekaantekeningen lopen, met enorme hiaten, door tot aan 1795, een jaar voordat de Narrative wordt gepubliceerd.

Dagboek beschikbaar over Stedman’s Surinaamse tijd: februari 1773 – 1 april 1777 

Periode Dagboek Manuscript / Narrative
Februari 1773 -april 1774 X X
30 april 1774 – 19 oktober 1775 X
20 oktober 1774 – 24 december 1775 X X
25 december 1776 – 31 december 1777 X

 

In de volgende zes hoofdstukken volg ik de dagboeken en het manuscript (hier dus aangeduid als Narrative) op de voet. Waar mogelijk vergelijk ik de inhoud van beide.

Hoofdstuk 1. Kennismaking met Johanna

(Dagboek en Narrative februari 1773 – juni 1773)

Plaat 8. Joanna. Graveur: Thomas Holloway.

Stedman is nog maar net in de kolonie als hij Johanna ontmoet. Zij verblijft in Paramaribo waar ze als slavin vrouw De Borde[10]  moet bedienen. Die heeft onderdak gevonden bij de familie Demelly, waar ze woont zolang ze de schuldeisers niet heeft betaald. Haar man, eigenaar van plantage Fauquemberg aan de Commewijnerivier en eigenaar van Johanna en haar familie – zij ‘behoren’ tot deze plantage – was uit angst voor die schuldeisers Suriname ontvlucht.  

Deze informatie staat zowel in Stedman’s dagboek als in zijn Narrative. Maar hoe en wanneer Johanna in beide wordt geïntroduceerd, verschilt. In de Narrative schenkt Stedman haar volop aandacht, in het dagboek niet, maar er wordt wel gehuwd.     

Kennismaking in het dagboek

Op 9 februari 1773 arriveert Stedman in Paramaribo. Hij maakt kennis met een aantal inwoners bij wie hij eet, slaapt en een dansje waagt. Dat doet hij ook bij de familie Kennedy die hem op 11 februari hun zogeheten futuboi Quaco uitleent.

Na drie weken Suriname verwijst Stedman in zijn dagboek voor het eerst naar Johanna. Het is 1 maart, Stedman is ziek en ‘a mulatto girl’ brengt hem stroop en twee mooie sinasappels. Ruim een maand later, op 11 april, komt ze weer voor in het dagboek, nu met haar initiaal:  ‘J_________’ .[11] Op 28 juni schrijft Stedman haar naam voor het eerst voluit als ‘Johanna’,  een schrijfwijze die ik hier heb overgenomen.

Uit: Quaco – leven in slavernij: 26.

Stedman is wat zuinigjes over Johanna op die 11e april. Toch is er dan al het een en ander gebeurd tussen beiden, of er staat in ieder geval wat te gebeuren, want de moeder en grootmoeder van Johanna  willen een overeenkomst met hem sluiten, mogelijk hangt er een prijskaartje aan zijn eventuele omgang met haar:

J________a, her mother, and G [Q?]-mother come to close a bargain we

me, we put it of [?] for reasons I gave them [12]

Stedman wijst het aanbod af (‘put if of’), hoewel de ‘f’ van ‘of’ niet zo duidelijk is. Een andere mogelijkheid zie ik echter evenmin, en daarom ga ik mee met Thompson’s lezing: Stedman gaat niet in op het aanbod. Wat dit aanbod inhoudt, staat er niet bij. Ondanks de afwijzing, ontbijt Stedman  vanaf die dag regelmatig met of bij Johanna, overigens ook met een zekere ‘B-e’, bij wie hij zich tweemaal te slapen legt. Deze B-e verdwijnt uit beeld nadat Stedman op 23 april Johanna cadeautjes heeft gegeven met een waarde van 10 sterling.

Heeft Stedman in april volgens zijn dagboek de overeenkomst met de moeder en grootmoeder van Johanna nog afgewezen, op 8 mei moet er een akkoord tussen beiden tot stand zijn gekomen, want die dag noteert Stedman:  ‘give me wedding’, met andere woorden: Johanna en Stedman trouwen.

Linkerbladzijde, laatste regel staat aan het einde: give me wedding.

Kennismaking in de Narrative

In tegenstelling tot het dagboek wordt in de Narrative niet getrouwd. Dat wil zeggen: Stedman zal die woorden niet gebruiken om zijn verhouding met Johanna te duiden. Haar rol is evenwel belangrijk. Die krijgt Johanna nog voor zij wordt voorgesteld als Stedman’s  geliefde. Daarmee is haar introductie geheel anders dan in het dagboek. In de Narrative lezen we bovendien meer over haar achtergrond en is bovendien haar portret opgenomen.

In de Narrative heeft Stedman tijdens zijn eerste Surinaamse weken allereerst uitgebreid verhaald over de geschiedenis van Suriname, over de omstandigheden waarin de slaven moeten leven, de wrede praktijken van de kolonisten, over de moordpartijen en afranselingen waaronder de tot slaaf gemaakten te lijden hebben. En terwijl Stedman volgens zijn dagboek op 1 maart geveld is door ziekte en een anonieme ‘ mulatto girl’ hem voorziet van fruit, wijdt hij die dag in de Narrative breed uit over Johanna. Het is tijd, zo schrijft hij bij 1 maart, na alle gruwelijke scènes de geest van de lezer te verstrooien met een beschrijving van Johanna, waarmee een nieuw hoofdstuk wordt ingeluid:

(…) – I shall now proceed from March 1.th the same Year and just about the beginning of the rainy-Season, when our Life of Mirth and Joviality still continued, and diversify the mind of the reader after the preceeding Scenes of Horror by giving a Description of the beautifull Mulatto Maid Joanna – (N 87). [13]

Stedman licht het woord Mulatto toe: ‘- A Mulatto’s between white and black-‘ (N 87) en hij vertelt over zijn eerste ontmoeting met Johanna. Dat was bij de familie Demelly, waar hij dagelijks zijn ontbijt nuttigt. Hij is verrukt van haar. Bijna een pagina lang bezingt Stedman de vijftienjarige Johanna in de meest fraaie bewoordingen. Niet zonder reden: Johanna, dat wil zeggen haar uiterlijk, moet verlichting brengen aan de lezers die zojuist al die choquerende passages hebben gelezen over de slavernij in Suriname. Zo krijgt Johanna bij aanvang een narratieve rol. Een gravure van Johanna is toegevoegd. Op de gravure draagt Johanna fraaie kleding, waaronder een rok van sits, een kostbare stof. Juwelen sieren haar hals, polsen en enkels. Het waren, schrijft Stedman, de juwelen die haar vader aan haar moeder had gegeven. Met de hoed in haar hand van beverbont en een zilveren rand, getuigt Johanna’s verschijning van enig aanzien.

Voorbeeld van sits, een dure bedrukte katoen.

Het moet voor die tijd voor de Europese lezers een erotisch portret zijn geweest, en wellicht is het dat nu nog: een borst ontbloot, een hand in de zij, de rechterheup iets naar voren gedraaid, de blote enkels. Voor de lezers van toen zou trouwens niet eens zozeer de blote borst als wel de blote enkel opwindend zijn. [14] Stedman laat zijn lezers met Johanna’s portret meegenieten van haar schoonheid.

Erotiek en ‘ras’

Johanna’s portret is in dat opzicht geen uitzondering. Ook andere portretten van vrouwen – allen anoniem – tonen hen op een enkeling na in een verleidelijke pose (zie de afbeeldingen hieronder). Dat geldt zeker voor de afbeelding van de laatste plaat, nummer 80, met drie vrouwen: ‘Europe supported by Africa & America’, het koloniale ideaal dat hierin verbeeld wordt, is evident. De wijze waarop de vrouwen zijn neergezet, doet bovendien denken aan de voorstelling van de vrouwen in de Drie Gratiën van Peter Paul Rubens, geïnspireerd op de voorstelling van de drie begeleiders van Venus, de godin van de liefde, uit de Griekse mythologie.

Gedeelte plaat 54: Gradation of Shades between Europe & Africa.

Johanna’s afbeelding lijkt, net als die van een aantal andere vrouwen nog een functie te vervullen: ze tonen de ‘raciale’ verscheidenheid van de inwoners van Suriname. De eerste vrouw die afgebeeld wordt, staat voor de ‘Negroe’, het is de vrouw die Stedman aan zou hebben getroffen toen hij voor het eerst voet aan wal zette in Suriname, bij Fort Nieuw-Amsterdam:

Plaat 4. ‘A Female Negro Slave, with a Weight chained to the Ancle’.

De andere vrouw die gefolterd wordt, staat voor de zogenaamde  ‘Samboe’. [15]

Plaat 35. ‘The Flaggellation of a Samboe Female Slave’.

Bij Johanna zelf is haar raciale positie in de tekst toegelicht en in de aanwijzingen voor de plaatsing van de gravures omschrijft Stedman haar afbeelding als ‘A Female Mulatto Slave of Surinam’. Onder haar portret staat alleen ‘Joanna’. En dan is er nog de ‘Quadroon’ vrouw (plaat 35).  Wat Quadroon inhoudt, maakt Stedman, net als voor ‘Samboe’ en ‘Mulat’, duidelijk in zijn overzicht ‘Gradation of Shades between Europe & Africa’ (zie hierboven, gedeelte plaat 54.): zij is geboren uit ‘white’ en ‘mulatto’ ouders, wat in de praktijk toen neerkwam op een witte vader en een zogeheten ‘mulattin’.[16]

Plaat 32. Female Qaudroon Slave of Surinam.

De Quadroon vrouw heeft, zo vervolgt Stedman, zoals het haar ‘ras’ betaamt de borsten bedekt, zij heeft altijd een Europese man, en ziet er helemaal prachtig uit. Mocht ze al een relatie hebben met een man in slavernij, dan zal zij worden verafschuwd en hij zal de relatie met zijn leven bekopen:  ‘Such is the despotik Law of Men in Dutch Guiana, if not in the whole World over the Weaker Species’ (N 242). De gravures van deze vrouwen passen bij de toenmalige preoccupatie onder wetenschappers de gehele wereldbevolking raciaal in kaart te brengen. Waardevrij was die categorisering zelden en dat was zeker niet het geval binnen de koloniale politiek. Die was geracialiseerd en racistisch: je positie en rechten werden bepaald door je kleur, ofwel je ‘ras’: hoe lichter je huid, des te groter je kansen. Want de machthebbers hadden zich benoemd tot vertegenwoordigers van het zogenaamde ‘blanke ras’ en daar lag de macht, bij de mannen wel te verstaan.[17]

Johanna’s familie  

Terug nu naar Stedman en Johanna. Stedman informeert in de Narrative zijn lezers over Johanna’s afkomst. Daarover zou vrouw Demelly hem hebben ingelicht. Johanna is de oudste in het gezin van vijf: twee jongens, drie meisjes. Allen behoren tot plantage Fauquemberg en zijn dus eigendom van plantage-eigenaar De Borde. Hun vader is wijlen de Hollander Tielenius Kruythoff, voormalig mede-administrateur van de plantage.[18] Het was hem niet gelukt, verneemt Stedman, het geld op tafel te leggen om zijn vijf kinderen vrij te kopen en hij keerde gedesillusioneerd terug naar Holland, waar hij niet lang daarna overleed.[19] Céry en haar kinderen vonden bescherming bij Joli Coeur, die in 1772 met de marrons onder leiding van Boni en Baron in opstand kwam tegen het bewind op deze plantage Fauqemberg en op de bijgelegen plantage Rosenbeek. Demelly vertelt Stedman over de vlucht van De Borde en de situatie van vrouw De Borde, met wie Johanna meekwam en die door de familie Demelly werd opgevangen.

Fragment plantagekaart Suriname, Moseberg 1801, NA. Plantage Fauquemberg (oranje,  midden boven) aan de Commewijne.

In de Narrative maken de lezers dus al vroeg kennis met Johanna en weten ze dat Stedman gecharmeerd is van haar. Zijn de lezers (lees: de Europese witte lezers) gekant tegen een relatie met een gekleurde vrouw? Dan heeft Stedman hen voorbereid, zijn bewondering voor Johanna komt niet onverwacht. Op 22 februari, nog voor hij Johanna introduceert, heeft Stedman namelijk al uitgelegd hoe het zit met de liefdes-mores in de kolonie. Stedman licht schrijft  bij die datum hoe normaal het is voor vrijgezelle Europese mannen te beschikken over een jonge vrouw, een slavin. De jonge vrouwen  koken, ze doen de was en zijn uitstekende verpleegsters, wat erg nuttig is aangezien Europeanen in dit land veelvuldig ziek zijn. De vrouwen van hun kant prijzen zich gelukkig met een Europeaan te leven. Voor hen gold dit als een legitiem huwelijk. Aldus Stedman, die daarbij opmerkt dat deze vrouwen niet kunnen huwen omdat personen in slavernij zijn uitgesloten van elke christelijke ceremonie en derhalve ook voor het huwelijk.[20]

 

Plaat 49. A Surinam Planter in his Morning Dress.

Met de beschrijving van de relatie tussen Europese mannen en hun vrouwen in slavernij wordt ook duidelijk wat onder het huwelijk verstaan kan worden dat Stedman met Johanna sluit volgens het dagboek. De relatie is per definitie van korte duur en onderstreept vooral de serviele status van de vrouw, in dit geval van Johanna.[21]  Dat aspect negeert Stedman hier; hij stelt dat de vrouwen tevreden zijn met deze verbintenis. In feite werden de vrouwen geacht beschikbaar te zijn, juist ook seksueel. Niet uitgesloten is natuurlijk dat er wel degelijk liefdesrelaties bestonden tussen de Euopese mannen en hun vrouwen, of ze nu getrouwd waren of niet, wat ook voor Stedman en Johanna kan gelden. Daar kom ik op terug in hoofdstuk 3 ‘Belangen en verlangens’.

Interessant is de vaststelling van Carl Haarnack dat in Duitse reisverslagen openlijker dan in de Nederlandstalige wordt gesproken over de veelvuldige seksuele relaties tussen Europese mannen en vrouwen in slavernij. [22]  Waarschijnlijk omdat de Duitse auteurs geen last hadden van politieke of sociale druk. Een van de auteurs die Haarnack aanhaalt, laat weten dat vrouwen ook  gehuurd werden, wat de mannen over het algemeen prefereerden boven aankoop, een andere auteur beschrijft dat mannen hun concubines gewoonlijk sieraden gaven en zij hier mee pronkten op zon- en feestdagen. In dat opzicht waren de sieraden die Johanna droeg dus niet uitzonderlijk; dat haar vader haar moeder van sieraden voorzag, werd waarschijnlijk ook van hem verwacht, hoewel we in dat opzicht weinig met zekerheid kunnen zeggen.

Om de verbintenis te duiden tussen de witte mannen en de vrouwen in slavernij wordt wel gesproken van een Surinaams huwelijk – een concubinaat met een enigszins verplichtend karakter. Zo wordt dit huwelijk toegelicht in het digitale Vrouwenlexicon bij de informatie over Francina Jacoba Elisabeth de Neef (1864-1948).[23] In die zin kan het huwelijk waarover Stedman spreekt in zijn dagboek, wellicht worden begrepen. Johanna’s moeder en mogelijk haar grootmoeder hebben aangestuurd op een overeenkomst met Stedman.  Hij zal hebben betaald, op welke wijze dan ook.

In de Narrative ten slotte heeft Stedman het niet over een huwelijk, evenmin over afspraken met Johanna’s moeder. Wel doet hij er alles aan om de lezers mee te nemen in zijn aanbidding voor Johanna. Onverwacht komt dat niet voor hen. Hebben de lezers het voorwoord van de Narrative gelezen dan weten ze al dat Stedman een bijzondere relatie heeft gehad met ene Johanna:

a Gentlemans  Daughter Reduced to the Situation of a humble Slave to whose memory after saving my life so often I am assuredly indepted ev’ry gratitude in my Pow’r –

Wie het geluk had haar te kennen, schrijft Stedman, sprak haar naam met het diepste respect uit. Met deze hulde aan het adres van Johanna wil Stedman, zo staat er, op voorhand de lezers van repliek dienen die menen dat de geschiedenis van Johanna niet thuishoort in een reisverslag (N 6). Hij vindt overigens dat lezers niet moeilijk moeten doen over de data. Die kunnen soms afwijken van de werkelijke data,  hoe erg kan dat zijn:

while as to an Oversight in the dates it Can matter but little if she [Johanna, IM] makes her first appearance on a Friday or if I first landed in Guiana upon a Monday – (N7)

Zoals we nog zullen zien, wijzigt Stedman de chronologie niet zozeer uit nonchalance maar ook omdat andere data beter bij de verhaallijn passen die hij voor ogen heeft.

 

Einde aflevering 1– volgende aflevering: hoofdstuk 2. Stedman wil Johanna meenemen naar Europa en hoofdstuk 3 Belangen en verlangens

 

Noten

[1] New York/ Bloomington: iUniverse, Inc.

[2] New York: Vantage Press

[3] Zie bijvoorbeeld  Landeg White, die niet alleen gedichten opdroeg aan Stedman, maar in 2002 promoveerde op een biografie van Stedman dat gepubliceerd is als:  Studying to be Singular:https://john-gabriel-stedman.com/ In dit werk besteedt White uitvoerig aandacht aan Johanna. In Nederland is de website Bukubooks onmisbaar voor wie meer wil lezen over Stedman en over Johanna.

[4] Gloria Wekker 1984 ‘De mooie Joanna en haar huurling’, in: OSO – De rol van de vrouw in de Surinaamse geschiedenis, jaargang 3, nr. 2, p. 193-203

[5] ‘About this time I received above 40 engravings from London, some well, some very ill.’ (Dagboek  J.G.Stedman, 1 december 1791)

[6] ‘I force Bartolozzi to return my plates (…) then take home my spoilt manuscript, and repair all plates.’ (Dagboek J.G.Stedman, 5 juni 1795)

[7] Zie voor deze en andere verschillen tussen het Manuscript en de Narrative van 1796 Price & Price 1988, LI-LXVI

[8] Zie voor een aantal verschillen tussen de Engelse en Nederlandse uitgave: Gloria Wekker 1984, ‘De mooie Joanna en haar huurling’, in: OSO – De rol van de vrouw in de Surinaamse geschiedenis, jaargang 3, nr. 2, p. 193-203

[9] Stanbury Thompson (ed.) 1962. The Journal of John Gabriel Stedman 1744-1797 Soldier and Author, Including an authentic account of his expedition to Surinam, in 1772. London: The Mitre Press

[10] Zij is de vrouw van De Borde of Des Bordes, De Borde de Jouy. Zie: website Gebouwd Erfgoed Suriname, Philip Dikland e.a. : https://drive.google.com/drive/folders/0B88mZFitv8emcjVfcG5hWFJOdWs. Hier volg ik Stedman’s schrijfwijze: ‘De Borde’.

[11] Thompson (1962) schrijft haar naam hier voluit.

[12] Thompson (1962) heeft in deze passage uit Stedman’s  dagboek ‘Q__________mother’ ingevuld als ‘Quaco’s mother’. Haar aanwezigheid zou echter niet stroken met wat Stedman over Quaco verhaalt in de Narrative: Quaco zou zijn ontvoerd terwijl hij met twee broertjes aan het spelen was. In het originele handschrift is deze Q echter helemaal niet duidelijk, vandaar mijn vraagteken. Ik denk dat hij hier ook een ‘G’ gelezen kan worden, mogelijk wordt de grootmoeder van Johanna bedoeld.

[13] Met N verwijs ik naar de pagina’s van de letterlijke transcriptie (dus met schrijffouten) van het manuscript van Stedman’s Narrative door Richard Price en Sally Price 1988 Narrative of a five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam. Transcribed for the First Time from the Original 1790 Manuscript. New York/ Bloomington: iUniverse, Inc.

[14] Zie hierover ook Geert Mak 2016 De levens van Jan Six – Een familiegeschiedenis: 214. Hierin haalt hij Bianca du Mortier (Rijksmuseum) aan, bij een toelichting op een achttiende-eeuwse japon.

[15] De vrouwen worden gefolterd, maar ik kon mij niet aan de indruk onttrekken dat ook zij desondanks nog erotisch zijn ‘geframed’. Die discussie laat ik verder buiten beschouwing. Interessant in dit verband is waarschijnlijk: Marcus Woods (2003), ‘John Gabriel Stedman, William Blake, Francesco Bartolozzi and empathetic pornography the Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam´, in: Geoff Quilley,Kay & Dian Kriz (eds).’ An Economy of Colour: Visual Culture and the North Atlantic World, 1660-1830. Manchester University Press:129-152. (ook beschikbaar via Google Books)

[16] Deze termen uit de zogeheten rassenleer schrijf ik bij voorkeur tussen aanhalingstekens.  ‘Mulat’, dat letterlijk muilezel betekende,  stamt uit de periode waarin onder raswetenschappers het idee opgeld deed dat kinderen geboren uit ouders van verschillend ras, in dit geval ‘zwart’ en ‘wit’, onvruchtbaar zouden zijn, zoals muilezels. Ook ‘ras’ omgeef ik met aanhalingstekens omdat voor mensen dit concept niet relevant is gebleken. ‘Ras’ is helaas springlevend gebleven en is dus binnen de context van racisme wel relevant, omdat dit mede wordt gevoed door het idee dat de mensheid in rassen te verdelen is.

[17] Zie voor de originele aanwijzingen van Stedman, Price en Price 1988: 21-24.

[18] Nathalie Zemon Davies werkt aan een biografie van de familie van Johanna waarin zij ook informatie over deze Kruythoff presenteert. Zie ook: https://bukubooks.wordpress.com/davis/judges/ Wim Hoogbergen (1992) noemt Tielenius Kruythoff in het register een planter, hij zou als burgerkapitein in 1759 in opdracht van het Hof van Politie onderzoek doen naar de desertie van vijf slaven op plantage Jukemombo aan de Boven Commewijne. Zie: Wim Hoogbergen (1992) ‘De Bosnegers zijn gekomen!’ Slavernij en Rebellie in Suriname. Amsterdam: Prometheus: 55-56.

[20] De Evangelische Broedergemeente was de eerste geloofgemeenschap die in Suriname slaven doopten. Cujo was de eerste die gedoopt werd. Zijn doop vond plaats op 18 augustus 1776 en sindsdien heette hij Joseph. In 1778 volgden vier andere mannen, de jaren daarna werden steeds vaker tot slaaf gemaakten gedoopt. Bron: Nationaal Archief,  Microfiches Doop-, Trouw- en Begraafboeken (DTB) van Suriname, Inventarisnr. 22, Scan: 2.

[21] Dit laatste punt ontleen ik aan Price en Price (1988, XXXVI) die zich in hun toelichting op de status van het zogeheten huwelijk tussen Stedman en Johanna baseren op Van Lier (1949) Samenleving in een grensgebied: een sociaal-historische studie van Suriname. Den Haag: Martinus Nijhoff, hoofdstuk 3.

[22] Zie Hoofdstuk ‘Of European Men and African Women’ in: Carl Haarnack 2017 ‘Nachrichten von Suriname’: Representations of a Dutch Colony in German Travel Literature (1800-1900)’, in: Alison E. Martin, Lut Missinne, Beatrix van Dam (eds.) Travel Writing in Dutch and German, 1790-1930 – Modernity, Regionality, Mobility, Routledge.

[23] Geraadpleegd 8 mei 2018.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *